Stel je oordeel uit

Ik heb de laatste maanden veel sport gekeken, misschien wel meer dan ooit eerder. Giro, EK voetbal, Tour, Olympische Spelen… De hoeveelheid tv-uren werd zeker door de corona-omstandigheden ingegeven. Er is nog steeds minder ander vermaak en we zijn nog steeds allebei veel meer thuis dan normaal, en dan is het makkelijk om de tv aan te zetten. Als de een het niet doet, doet de ander het wel, en er is weinig leuker dan samen mooie sport kijken.

Aan EK en Olympische Spelen raakte ik bovendien ook wel een beetje verslaafd, dus dat ik dan in de ban kom van zo’n toernooi. Bij de Tour kan ik dat soms ook wel hebben, maar dit jaar niet zo. Mogelijk was dat omdat de strijd om het klassement al vroeg beslist was en ik geen grote Pogacar-fan ben. Ik vond de Olympische Spelen het interessantst, dus daarover een beschouwing in deze blogpost.

Ik heb vooral gekeken naar het (baan-)wielrennen en hardlopen, en wat zwemmen – het tijdsverschil en de beperkte uitzendrechten maakten het lastig om te volgende wat ik wilde, en ik had ook nog wel eens wat anders te doen natuurlijk. Van de triathlon heb ik alleen de gemengde-team-estafette gezien, integraal teruggekeken, erg leuk, al is het alleen maar omdat mannen en vrouwen het dan samen doen. Ik heb één keer slaap opgeofferd, en dat was om de vrouwentijdrit te zien. Wekken om 5 uur, tussen hun finish en de mannen nog even geslapen.

Aan het begin gingen er enkele grote Olympische dromen in rook op, zoals die van Van der Poel met z’n plankje, van de Nederlands wegwielrensters en van alle positief getesten. Dat maakte me weer eens zeer bewust van het grote risico van doelen. In het bepalen van een doel zit een heel grote kans op teleurstelling ingebakken. Dat geldt helemaal voor prestatiedoelen, zoals: ik ga voor een medaille. Je hebt het bereiken daarvan sowieso niet in eigen hand. Dat wist ik al, maar aan het begin van de Spelen was het heel zichtbaar.

Daarna keerde dat ‘mislukken’ helemaal om (na een tenenkrommende persconferentie) en op dit moment is er in de Nederlandse sportmedia vooral een hosanna-stemming over het behaalde aantal medailles. Mij zegt de medaillespiegel en de totale hoeveelheid eerlijk gezegd helemaal niets, ik kan er zelfs wat cynisch over worden.

Zo van: en nu, land nummer 7 op de ranglijst? Zijn we nu ineens zo’n tof land met zo’n geweldige sportcultuur dan? Gaan we nu in de tussenliggende jaren wel aandacht geven aan, zeg, de handboogschieters? Wat is de prijs die we betalen voor die vracht medailles; wat hebben ‘we’ niet kunnen doen omdat er zo veel geld en aandacht naar de topsport ging? Wat als er helemaal geen effect is op de breedtesport? Waarom zijn medailles zo belangrijk?

Trots kan ik al helemaal niet voelen, daarvoor heb ik er te weinig mee te maken. We delen dezelfde nationaliteit, nou en? Ik ben sowieso niet zo nationalistisch in m’n sportbeleving. De overwinning van Roglic in de tijdrit, daar pinkte ik ook een traantje bij weg.

Wat ook wel laat zien: Roglic ‘ken’ ik, ik volg hem al jaren, en bekend maakt bemind. Dus ik leef wel mee met de sporters die ik ken, en dat zijn vaker landgenoten. Daar gaat sowieso de meeste media-aandacht naar uit, maar dit jaar al helemaal, bij deze media-bubbel-spelen

Dus kan ik dan genieten van bijzondere prestaties van die ‘bekenden’, waarbij die van Hassan en van de 4X400 meter van gister erbovenuit steken. Ik kan me ook vergapen aan prestaties die op mij als buitenaards overkomen, zoals 75 km/u rijden op een baanfiets of de dingen die turners kunnen in ringen, aan stokken en op bruggen.

Nog meer indruk maakten de momenten van van sportiviteit en vriendschap, zoals tussen de twee hoogspringers die besloten het goud te verdelen en toen ongelofelijk blij waren en die tussen Nageeye en Abdi op de marathon. Maar ik kon ook medelijden voelen met Laurine van Riessen en Lotte Kopecky – vond sowieso dat er op de baan veel gevallen werd.

Ik pinkte ook een traantje weg bij het interview met Mieke Gorissen die haar 28e plek op de marathon amper kon geloven. Echt, het gaat niet alleen maar om medailles. Om maar iets te noemen: de 23 gouden medailles van Michael Phelps konden hem niet gelukkig maken

Er waren ook nog wel interessante discussies met een bredere relevantie dan de sport: over de kleding van mannen versus vrouwen en de mentale druk op topsporters. Dat over die druk leek een beetje door te slaan: ja, natuurlijk is het goed om er open over te zijn, maar het is geen prestatie om eronder te bezwijken en je bent dan ook niet ‘zielig’. Stef Clement zei dat over Dumoulin, daar zijn veel mensen overheen gevallen, maar ik was het met hem eens. Als je van je hobby je beroep maakt, daar succes in hebt en dus veel geld mee verdient, en dan moeite krijgt met de druk, dan is daar van alles over te zeggen, onder andere dat het knap is hoe Dumoulin terug is gekomen. Maar zielig – nee. Ik vond Clement sowieso een geweldige commentator, mede omdat hij niet meeging in het medaille-hosanna-geroep. 

Alles bij elkaar, wat heb ik hier nou aan voor mijn eigen leven, voor mijn eigen sporten? Nou, een boel plezier, ontroering en bewondering bij het kijken. Maar het gaat ook nog verder dan dat.

Als ik alles op een rijtje zet, kom ik tot één conclusie: dat je de balans niet te vroeg moet opmaken, dus dat je niet aan scorebord-journalistiek moet doen. Om te weten hoe het écht met je gaat (of met je ploeg of met je land of wat dan ook), houd dan de lange lijn in de gaten en het totaalplaatje. Net zoals het aan het begin van de Spelen niet allemaal pikzwart was (‘onheilspellend scenario’) is het nu niet allemaal alleen maar geweldig.

In relatie met het thema van dit weblog: die ene Ironman was geweldig, maar voor mijn leven is het belangrijker dat ik nu, vijf jaar later, nog steeds met veel plezier sport.

Over wat deze 36 Nederlandse medailles waard zijn voor ‘ons’ kan het oordeel pas later geveld worden.

Nou even een weekje niks, en dan begint de Vuelta alweer!

 

Zwemmen gaat weer lekker!

Op 12 mei zwom ik voor het eerst na de lockdown van dik vijf maanden, gister heb ik de balans opgemaakt in de vorm van een CSS-test: 400 en dan 200 meter voluit zwemmen, de tijden van elkaar aftrekken en door 2 delen, en dat getal, de critical swim speed, is een maat voor je duurtempo, omgerekend naar 100 meter. Die snelheid zou je net vast moeten kunnen houden, over, pak ‘m beet, een kilometer.

Ik kwam uit op 1’58,5 en dat is een teken dat ik weer aardig terug op niveau ben. Ik ben wel sneller geweest al, tot wel een seconde of 4 (1 per baantje). Dat was in elk geval net voor de eerste lockdown zo, wat ook net na de cursus Powerstroke was, toen zwom ik op m’n snelst ooit. Maar in deze tijd van het jaar, met veel openwaterzwemmen en weinig gerichte intervallen op de CSS-intensiteit, is het eigenlijk heel normaal. Ik ben er tevreden mee, ik was blij geweest met alles onder de 2′.

Voor een volgende stap heb ik weer een goeie winter nodig, met gerichte zwembadtrainingen – en misschien die cursus Powerstroke op herhaling. Ik heb het technische gevoel daarvan voor het grootste deel weer te pakken, maar het komt nog net niet helemaal samen zoals toen, dus dat ik m’n romprotatie echt aan m’n doorhaal weet te verbinden. Dat lukte ook vorig jaar om deze tijd niet.

Als ik het me goed herinner, zwem ik nu wel beter, sneller en lekkerder. Ondanks de langere pauze. Wat me de afgelopen tijd geholpen heeft, zijn acht weken van dinsdagavond-trainingen geweest. De eerste vier weken was dat nog een ‘toetje’ van de conditie- en techniekgroep die ik net voor de eerste lockdown was gestart. Die lag sindsdien elk ogenblik stil natuurlijk, en bij elke herstart kregen we er een paar trainingen zomaar bij, wat erg aardig was. Zodoende heb ik veel meer trainingen gehad dan waar ik ooit voor betaald heb. Ik had er zelfs nog twee meer kunnen doen, maar toen kon ik niet meer vanwege de andere cursus, waarover zo meer.

Die vier zwembadtrainingen waren eigenlijk precies wat ik nodig had om de techniek weer op te frissen. We gingen helemaal back to basics. Dat was een beetje noodgedwongen door de omstandigheden: er was meestal maar één trainer voor mijn groep (die uit twee personen bestond) en de beginnerscursus. Dus deden wij mee met de beginners. Dat was qua omvang en intensiteit en kennis enzo weliswaar wat slapjes, maar wel helemaal goed na zo’n lange tijd niet zwemmen. Hoge elleboog is een rare beweging als je ‘m vijf maanden niet hebt gedaan!

Daarna verhuisde ik op de dinsdagavond naar het open water, in ’t Waaltje, om daar een korte cursus slagfrequentie in open water te doen. Dat was stevig aanpoten! Het was al een tijd geleden dat ik in open water boven de 2,2 km uit was gekomen – mijn vaste stukjes hier bij ons achter in de Schie zijn 2,1 (‘rondje veerhuiseiland’) of 2,2 (‘retourtje Doenbrug’). Bovendien zwem ik in open water standaard rustig, geen intervallen of hoog tempo. Nou, nu wel! Mijn armen vielen eraf! En dat alleen al was hartstikke leuk, om zo aan de bak te moeten!

’t Waaltje is bovendien schitterend zwemwater. Het enige wat eraan ontbrak was het zwoele zomeravondgevoel, want het blijft maar kwakkelen met deze zomer. Alleen op de laatste dinsdag, vorige week, was het wat warmer.

Zoals altijd bij TriExperience was het ook weer super-interessant. We zijn met behulp van de tempo-trainer op zoek gegaan naar onze natuurlijke slagfrequentie (54) en naar het verhogen daarvan voor meer snelheid. Bij mij ligt er voor de kortere triathlons wel een kans om ‘m naar 58 op te trekken, maar dat moet ik nog wel trainen. Met de tempo-trainer gaat dat in open water dus ook, zonder de zwembadklok. Het piepje geeft bovendien een prettig soort houvast, ik vond het wel lekker zwemmen ermee. Want dat is hoe het werkt, dat is een van de dingen die de tempo-trainer kan: piepen op de beoogde frequentie, als een zwem-metronoom.

Buiten die dinsdagavonden heb ik eerst in het zwembad veel techniek gedaan en daarna ben ik in het open water omvang gaan opbouwen. Het is heerlijk om weer te zwemmen. Ik ben me er door de afgelopen anderhalf jaar extra van bewust dat het niet vanzelf spreekt om dat te kunnen doen. Het is nog steeds een beetje behelpen met reserveringen en andere aanpassingen, maar het kán, en dat is heel fijn.

 

“Blog: prijzen, zwembaden”

Sinds vorige week is het voor mij qua werk zomer-rustig: weinig afspraken of deadlines. Dat gaat bijna elk jaar zo, en is altijd een uitgelezen kans om aan klusjes toe te komen die al een tijd wachten. Die noteer ik op een soort lange-termijn-to-do-lijst. Het meeste is werkgerelateerd of huishoudelijk. Ik heb vandaag al een paar klusjes kunnen wegstrepen, lekker.

Eén van de oudste dingen op het lijstje is het punt ‘Blog: prijzen, zwembaden, herrie’. Dat waren drie thema’s waarover ik wilde schrijven, en die bedacht ik al ergens in de loop van het seizoen van 2019. Het was er niet zo van gekomen en toen kregen we corona en leek het nogal zinloos om het te hebben over de prijzen van triathlons, de doolhoven in zwembaden en de herrie bij evenementen. Dat leken luxeproblemen in een tijd dat er niets doorging en de zwembaden dicht waren.

En zo stonden die thema’s eindeloos op de to-do-lijst. Ze blijken niet aan relevantie ingeboet te hebben. Nouja, die herrie bij evenementen, de keiharde muziek uit slechte speakers vooral, dat zou ik echt uit mijn geheugen moeten opdiepen dus die laat ik even zitten. Maar over geld en zwembaden wil ik wel degelijk iets actueels kwijt.

Vorige week moest ik in Delft zijn en dat kwam zo uit dat ik daar kon gaan zwemmen – elders zwemmen doe ik graag, en het is er al lang heel weinig van gekomen door de lockdowns en het vele thuiswerken. Nu dan. Ik keek wel op dat m’n reservering voor het Sportfondsenbad € 6,10 kostte, voor drie kwartier.

Sodeju, wat is dat duur.

Eenmaal daar hoorde ik dat de gemeente het niet subsidieert en dat dat dus de prijs is waarvoor het commercieel is uit te baten. Oef. Hopelijk blijft Rotterdam subsidiëren.

Even later begreep ik dat er ook nog 5 minuten van de tijd af gingen, om voor mij onduidelijke redenen. Omgerekend kostte het zwemmen € 9,15 per uur, voor een doodgewoon 25-meter-badje. Ter vergelijking: in Zwembad West kost een los kaartje € 4,20 voor een uur. Al was dat vorige week theorie, want dat zwembad was toen dicht vanwege corona-besmettingen.

Nou maakt voor mij die paar euro niet uit natuurlijk, maar mij is in Zwembad West wel eens opgevallen hoe druk het is als het ‘euro-zwemmen’ is, of was, ik weet niet of het nog bestaat: vrijzwemmen voor € 1. Het zwembad staat in een arme wijk van Rotterdam, en dan is zelfs € 4,20 nog te veel. We ‘moeten’ allemaal bewegen, maar dan moet dat niet te veel kosten. Waarom de gemeente Delft het zwembad niet subsidieert, geen idee. Slim lijkt het me niet.

Iets soortgelijks bedacht ik twee seizoenen geleden ook over triathlons. Zo’n evenement is veel eenmaliger dus minder van invloed op het beweeggedrag, maar dan nog hoop ik dat er triathlons blijven bestaan die weinig kosten. Ik heb de inschrijfgelden rap zien stijgen in de afgelopen jaren. En wel zo dat ik denk dat de toegankelijkheid onder druk komt te staan.

Eén van de kostenposten waar ik bijvoorbeeld mijn vraagtekens bij zet is die van de tijdregistratie met matten en chips. Dat is hartstikke leuk natuurlijk, precies je splittijden weten, maar het drijft de prijs nogal op en veel triatleten hebben dusdanige sporthorloges dat ze zelf ook een aardig eind komen met precisie-meten. .

Wat daar net de afgelopen weken nog bijkomt is dat ik de indruk heb dat het juist de kleine, niet-commerciële evenementen zijn die het momenteel moeilijk hebben de boel georganiseerd te krijgen. Een commerciële organisator als TriHard, waarvan ik net TriRotterdam deed en TriAlmere nog op de agenda, die redt het wel. Maar ik vond m’n sprint met € 55 een prijzige triathlon en voor dat bedrag net niet goed genoeg georganiseerd – vooral dat de medailles op waren vond ik echt een blunder.

Inmiddels is er weer veel onzeker en zijn twee evenementen die ik op mijn verlanglijst had staan geannuleerd: de Hoeksche Waard Challenge, georganiseerd door een vereniging, en de Branderszwemtocht, nogal op het goede doel gericht. Kan toeval zijn, maar ik ben bang dat het dat niet is. Hopelijk lukt het die organisaties na twee verloren jaren toch overeind te blijven.

Tot slot nog even terug naar de zwembaden. Wat in Delft ook niet zo’n succes was, was dat het qua coronamaatregelen voor mijn gevoel een stap terug in de tijd was: je mocht je voor het zwemmen niet omkleden, wat voor mij betekende dat ik de wc in moest, want ik had er al niet meer aan gedacht dat ik m’n badpak aan moest hebben en dat was knap onhandig geweest ook, met eerst naar Delft fietsen voor een lunchafspraak en daarna pas zwemmen. In de banen gold bovendien een eenrichtingverkeer, wat betekent dat je steeds onder de kurken door moet duiken. Dat is in Zwembad West zelfs nooit geweest, en bijna alles is daar weer gewoon.

Door corona is zodoende nog extremer dan wat ik eerder ook al had geobserveerd: dat elk zwembad anders is. Ik ben er in de loop der tijd in een heel aantal wezen banenzwemmen, en ze zijn allemaal verschillend. Ik heb heel wat lopen dwalen en stuntelen met poortjes, kluisjes, hokjes en douche-knopjes.

Daar wilde ik lang geleden al eens over schrijven: dat er zo weinig eenheid zit in het ontwerp van zwembaden. Okee, een luxe-probleem. Maar met ook nog sterk verschillende corona-maatregelen kan het best behelpen zijn. Ik voelde me donderdag in Delft niet op mijn gemak. Een echte uitwedstrijd.

Zo, en nu kan ik ‘blog: prijzen en zwembaden’ afstrepen, ‘herrie’ laat ik nog even staan.

 

Acht keer knallen langs de roeibaan

Gister heb ik mijn eerste triathlon van het seizoen gedaan: de sprint van TriRotterdam. Ik wist al een tijdje dat ik daarbij wilde zijn omdat twee van mijn coachees zouden starten in de rookie race, en toen het dichterbij kwam en zekerder werd dat het door zou gaan, kon ik de verleiding niet weerstaan. Het ging toen net weer wat beter met m’n rug, maar toch heb ik voor de korte afstand gekozen. Tien kilometer hardlopen leek me tricky, en bovendien: acht rondjes fietsen om die roeibaan leek me niet zo leuk.

Bij deze triathlon ben ik vaker gestart, ook toen het nog triathlon010 heette, en ook al is het eigenlijk in Zevenhuizen, het is toch een beetje een thuistriathlon natuurlijk. Van de organisatie, TriHard, had ik vorig jaar een positieve indruk gekregen over hoe ze met de corona-omstandigheden omgingen, onder andere omdat ze ‘against all odds‘ TriOuderkerk lieten doorgaan. Dat gaf vertrouwen.

Ik keek er wel van op dat vorige week uit de lucht viel dat je je moest laten testen voor toegang, nouja, ik niet dus, want ik ben al volledig gevaccineerd. Gelukkig maar. Maar het zou mijn eerste ervaring met de CoronaCheck-app worden – een systeem waar ik sowieso m’n bedenkingen bij heb, en net vorige week werd wel duidelijk dat het totaal faalt. Ik ben blij dat ik niet voor m’n triathlonnetje eindeloos in de rij heb hoeven staan tussen het meest besmettelijke volk van dit moment: het uitgaanspubliek. Dan lijkt me het getest moeten worden riskanter dan het doen van de triathlon zelf.

Ik heb de hele week netjes getaperd, dus kalm aan gedaan en een paar gerichte trainingen gedaan, naar de masseur geweest, het eten van zaterdagavond bepaald (overschotel met courgette en pasta), enzovoort. Dus ik was er wel klaar voor, sterker nog, ik zat me duidelijk in te houden en kreeg fikse beweegbehoefte.

Toen werd het toch nog even spannend vanwege de nieuwe maatregelen, maar uiteindelijk leidde dat er alleen toe dat er geen publiek welkom was. Jammer, manlief had meegewild voor foto’s en om dan de 18 km terug naar huis te lopen als eigen training. Het is sowieso door het compacte parcours een leuke kijk-triathlon. Het zag er nu, toen ik aankwam, vreemd rustig uit, maar alles heeft ook zo z’n voordelen: alle ruimte om te parkeren bijvoorbeeld.

Wel goed dat ik zelf meedeed, anders had ik m’n coachees niet eens kunnen zien dus. Nu kon ik ze zien starten:

Daarna had ik alle tijd om mezelf voor te bereiden, zoals het inrichten van het plekje in het parc fermé:

Op naar de start – met eigenlijk geen idee wat ik kon verwachten, maar wel met de hoop dat ik eens onder de 1,5 uur zou kunnen duiken, wat een PR op de sprint zou opleveren. Dat ik geen idee had, zat hem er vooral in dat ik mijn eigen trainen de afgelopen maanden als nogal rommelig heb ervaren, waardoor ik voor geen van de drie sporten echt helemaal op dreef ben. Dat kwam door een optelsom van omstandigheden:

  • Corona. Ik ben nog niet terug op niveau na vijf maanden niet zwemmen, al begint het wel weer te komen. Ook ontbreekt het me aan een ambitieus triathlondoel: dat was ik had, is geannuleerd. Zonder zo’n doel sport ik weliswaar nog steeds graag en veel, maar er zit wat minder lijn in en ook wat minder druk achter. Tot slot heeft corona nog steeds ook wel grote invloed op mijn dagelijks leven, vooral door het thuiswerken. Het gaat bij vlagen, maar soms ben ik daar wel moe en zat van. De permanente onzekerheid knaagt soms ook, net als de frustratie om de ‘clusterfuck’ van het beleid.
  • Het weer. Ik ervaar eigenlijk bijna heel 2020 al als lastig. Het voorjaar was extreem koud en nat, toen was het even heet, en nu is het al wekenlang soms nat en kil maar vooral instabiel en benauwd. Dat heeft vooral m’n fietsen wel gehinderd, zwemmen ook een beetje.
  • Fysiek ongemak. Tussen december en mei had ik last van m’n schouder waardoor ik niet lang op de race- of triathlonfiets kon zitten. Dat is over: het is als sneeuw voor de zon verdwenen toen ik weer kon zwemmen. Mijn rechterschouder heeft het zwemmen kennelijk enorm gemist! Recentelijk heb ik een paar weken getobd met een rib en rug. Ook dat is over, maar ik heb daardoor al een tijdje weinig hardgelopen, terwijl dat net lekker ging en ik er fietsen voor op een zacht pitje had gezet (zie vorige post). Fietsen heb ik dus net juist wat meer gedaan, maar in totaal toch veel minder dan normaal. 
  • Drukte. Ik heb in juni knetterhard gewerkt (fijn voor m’n portemonnee!) en daarbij ook nog geprobeerd de Tour en het EK te volgen én te genieten van de dingen die sinds lang weer mogen, zoals film en theater. Dat was leuk, maar het is ook even schakelen en passen en meten qua tijd.

Dus ik heb lekker gesport, maar scherp – nee.

Enfin, wij van start. Zonder wetsuit: tot mijn verrassing was de watertemperatuur in het zonnetje opgelopen tot boven de 22 graden. Ik had nog even ruzie met de knopjes van m’n nieuwe horloge en dat is ook niet helemaal goed gegaan helaas. Ondertussen zag ik zo’n beetje het hele zwemveld voor me uit speren, althans, zo voelde het. Een groot deel daarvan heb ik daarna weer ingehaald. Mijn zwemtijd, 17:42, valt wat tegen, ik denk dat het langer was dan 750 meter en mijn zwemmen is gewoon ook nog niet stabiel. Het voelde wel goed.

Eerste wissel ging vlekkeloos, en altijd fijn om te gaan fietsen. Toen ontdekte ik dat van de knopjes, dus weer even wat horloge-gepiel, en daarna: knallen. Vier rondjes rond de roeibaan is een intervaltraining van 8 rechte stukken hard (boven FTP) en in de bochten van de kopse einden steeds even herstellen. Dat pakte hartstikke goed uit: ondanks toenemende wind reed ik 33,2 gemiddeld – één van m’n snelste bikesplits ooit, en net wat sneller dan in 2018, toen ik in de winter ervoor 5000 kilometer had gefietst Down Under. Wauw, waar komt dat vandaan?! Ik had het op de fiets al in de gaten en dat was een grote kick.

De tweede wissel was even lastig: er hing een fiets in de weg op mijn plek, die viel van het rek toen ik ‘m opzij duwde, toch maar even netjes geweest en ‘m opgeraapt. Ik vond het sowieso iets rommelig in het parc fermé, er liepen ook wat mensen in de weg en sommigen namen met hun spulletjes wel erg veel ruimte in. Toen ik inpakte om weg te gaan, trof ik bovendien een vreemde helm tussen m’n spullen aan. Aan het nummer erop kon ik zien dat de bijbehorende fiets al weg was, dus ik heb ‘m maar afgegeven als gevonden voorwerp.

Het lopen begon daarna zeer moeizaam: het eerste stuk van 1,25 km recht tegen de wind in was ik voor mijn gevoel niet vooruit te branden. Gelukkig was het op dat moment wel zwaar bewolkt en niet zonnig, want dit was al warm en benauwd genoeg. Langzaam-maar-zeker kwam er iets meer schot in, zeker toen ik als mikpunt een bekende voor me zag: een man van de Veenendaalse triathlonvereniging met wie ik voor de start even had staan praten. Nu haalde ik hem (70+) in en kon ik bij het passeren even hallo zeggen.

Volgens de officiële meting heb ik zo toch m’n streeftempo van 5’30/km gehaald – ik had zelf wat trager geklokt. Wel kon ik aardig uitsprinten, en dat zette Esther op de foto:

Zo kwam ik in 1uur29-nogwat over de finish, zag ik, dus hoera, voor het eerst onder de 1u30 inderdaad! De nogwat bleek later wel 59 seconden te zijn, hahaha! Ik snoep al jaren bij elke sprint die ik doe een paar seconden van m’n PR af.

De medailles waren op, helaas, ik ben benieuwd of  ik die nog nagestuurd krijg. Ze waren bij de serie ervoor al op, beetje suf – Esther was de eerste finisher geweest die het zonder moest doen.

Hier de officiële uitslag, die lang op zich deed wachten overigens:

Als ik 3e word van 9 50+-vrouwen en 29e van alle vrouwen, dan was D50+ dus relatief sterk, dat is af en toe zo. De vorige keer won ik bij de D50+, met een langzamere tijd. Mijn age group is zo klein dat het qua klassering alle kanten op kan gaan. Wel veel vrouwen, 94 van de 250 – dat was me niet zo opgevallen eigenlijk. Wel had ik al horen omroepen dat een bekende van me de lange afstand had gewonnen: Jelte, m’n hardlooptrainersopleidingsgenoot. Ik wist niet dat die ook zo hard kon zwemmen en fietsen.

Na de finish nog even staan praten met Ivo en Esther, gezellig, en zij hadden het ook goed gedaan. Toen huiswaarts, zoals de bedoeling was qua coronamaatregelen. Dik tevreden op de bank, Tour en EK kijken. Nu een beetje moeie rug, dat is op dit moment duidelijk m’n zwakste plek.

Het smaakt naar meer, zo’n middagje buitenspelen. Er staan nog twee triathlons en een zwemloop op de planning – maar opnieuw is alles ontzettend onzeker. Laten we hopen dat het meevalt, met het oog op veel meer dan alleen een paar triathlons. 

 

Het gaat om de totale belasting

Ik heb de laatste tijd zowel in theorie als in praktijk geleerd dat het belangrijk is om ervoor te zorgen dat de totale trainingsbelasting goed hanteerbaar is. Dat wil zeggen dat je eigenlijk relatief licht en makkelijk moet trainen – meestal.

Eerst de theorie. Enigszins druppelsgewijs via forums en twitter drong tot mij door dat er een nieuwe, andere opvatting is van gepolariseerd trainen. Ik ken dat eigenlijk alleen maar als: het overgrote deel van je tijd (pak ‘m beet: 80 %, al komt dat niet nauw) train je rustige duur, een beperkt deel van je tijd train je hoog-intensief. Wat ik opving, was dat ook wel geformuleerd wordt als: de meeste van je trainingssessies (die 80 % weer) houd je licht en makkelijk, een beperkt deel van je sessies zijn zwaar. Van die eerste soort herstel je snel, de tweede vraagt langer herstel.

Dat klinkt misschien niet zo anders, maar dat is het wel. De eerste opvatting rekent op basis van tijd en intensiteit (hartslag, tempo, vermogen); de tweede opvatting rekent op basis van sessies en ervaren zwaarte en herstelduur. Dat zijn verschillende dingen.

Voor mijzelf betekent het bijvoorbeeld dat als ik lange, rustige duurlopen doe, die volgens de eerste opvatting onder de rustige pool vallen, maar in de tweede opvatting onder de zware. Ik vind langer dan ongeveer 1,5 uur lopen gewoon zwaar. Dus dat wil zeggen dat ik bij drie keer in de week hardlopen gericht op een halve marathon, eigenlijk drie zware sessies doe: die lange duurloop, lange intervallen op halve-marathontempo, en korte, snellere intervallen – die ik weliswaar leuk vind om te doen en niet als heel zwaar ervaar als ik bezig ben, maar die me soms wel spierpijn bezorgen. In de eerste opvatting doseer ik ‘rustig’ en ‘intensief’  zo prima, maar in de tweede opvatting train ik zo te zwaar.

Aan de andere kant ervaar ik zelfs een intensieve fiets-intervaltraining meestal als goed te doen. Aan het eind van een interval lig ik weliswaar met m’n tong op het stuur, maar uitfietsend herstel ik al en ik kom fris thuis. De dag erna ben ik er zeker van hersteld. Die trainingen vallen voor de duur van de intervallen onder de intensieve pool in de eerste opvatting, maar onder de lichte, makkelijke in de tweede.

Mijn indruk is dat die tweede opvatting ‘voortschrijdend inzicht’ is, dus dat bijvoorbeeld iemand als Stephen Seiler, de wetenschapper achter gepolariseerd trainen, van visie is veranderd. Dat weet ik niet helemaal zeker, en ik weet ook niet helemaal zeker of die redenatie van hierboven over mezelf klopt, dus of je bij die tweede opvatting inderdaad van subjectieve, ervaren zwaarte moet uitgaan. Dat staat nergens, maar dat zou kunnen komen omdat het een typisch mindere-goden-probleem is. Trainingsleer gaat erg uit van toppers en geen enkele toploper vindt rustige duur zo zwaar; dat is voor mij zo omdat ik geen goede loper ben.

Net toen ik op basis hiervan bedacht had dat ik misschien m’n halvemarathonopbouw moet veranderen, had ik een gevalletje pech waardoor ik wekenlang nauwelijks kon lopen: er was bij de chirpractor iets met een rib-wervelgewricht gebeurd waarvan nog onduidelijk is of dat een gevalletje oeps, foutje was (ontwrichting) of iets wat broodnodig was en eindelijk loskwam. Van die rib had ik niet zo veel last, maar de grote rugspier eroverheen trok van lopen in een zeer pijnlijke kramp die ik dan nog dagen voelde. Het is inmiddels beter, maar mijn halvemarathonambities zijn van de baan. Dat heeft ook met het praktische punt te maken.

Dus nu de praktijk. Ik had de hele winter een prima trainingsbalans, met yoga, hardlopen gericht op de tien kilometer, veel wandelen en af en toe fietsen bij goed genoeg weer. In mei veranderde dat kort na elkaar allemaal: ik ging weer zwemmen, eindelijk werd het minder koud en nat en kon ik dus meer gaan fietsen, en tegelijkertijd veranderde ik m’n looptraining voor de halve marathon – met de zwaarte zoals hierboven beschreven.

Dat ging dus niet goed, nouja, dat lukte niet. Wat ik vooral merkte, was dat fietsen er veel minder van kwam dan ik had gehoopt of gewild. Geen tijd voor, te moe, of uit anticipatie: ‘ik kan wel lang gaan fietsen, maar voor morgen staat een zware hardlooptraining op het programma’. Of gewoon geen zin – ook een veeg teken, want normaal gesproken fiets ik dolgraag in deze tijd van het jaar.

Daarna ging het lopen dus even niet, en toen m’n rug weer een béétje okee was, ben ik prompt voor een lange tocht op de fiets gesprongen terwijl ik die week ook al een intervaltraining had gedaan – ineens was er ruimte.

Ik realiseerde me dat het gewoon te veel, te zwaar is om drie sporten tegelijk te willen opbouwen, zwemmen ook nog eens vanaf nul. Dat gevoel van ‘geen zin om te fietsen’ was een signaal van net iets te grote lichamelijke belasting. In een tijd dat het bij vlagen druk en veeleisend is met werk en ook nog steeds niet allemaal even relaxed of gewoon: het thuiswerken valt me bij vlagen zwaar, ik had een paar dagen last van m’n tweede vaccinatie (niks ergs, maar wel moe en hartkloppingen), de mogelijkheden die de versoepelingen bieden zijn fijn maar ook wennen en ze kosten tijd. Daarbij nog EK en Tour en dat gáát gewoon niet allemaal.

Terug naar de tekentafel, en dat werd dus: hardlopen terug naar de onderhoudsstand. Mijn langste geplande loop is tien kilometer bij een triathlon, dus daar koers ik nu op.

Ik leer hier veel van voor toekomstige trainingsperiodes:

  • De sporten los van elkaar opbouwen, hooguit twee tegelijk. Niet met z’n drietjes tegelijk dus. Als ik dat eventueel wél wil, ervoor zorgen dat de rest van m’n leven niet te veeleisend is (wat ik deed in 2016 in aanloop naar de Ironman).
  • Mijn trainingsplannen in samenhang bekijken, en dan niet alleen naar de tijdsverdeling tussen rustig en intensief kijken, maar ook naar de totale zwaarte – niet meer dan ongeveer twee zware trainingen per week, en in anderszins veeleisende periodes nog minder zelfs. (Nou hoop ik trouwens dat ik niet nog een keer ga meemaken dat ik bij zwemmen weer moet herbeginnen na vijf maanden zonder, maar dat terzijde.)

Voor nu zijn de halvemarathonambities voorlopig dus de deur uit, ik fiets weer wat meer (ook goed voor m’n hoofd, vooral de lange, rustige ritten), én ik kijk inmiddels uit naar mijn eerste triathlon: volgende week zondag is het zo ver!

Komen en gaan van spulletjes

Ik ben voor een triatleet niet bepaald de grootste materiaalfreak. Ik hoef niet het nieuwste van het nieuwste, sterker nog, ik hecht me aan sommige spullen en neem daar niet graag afscheid van. Iets nieuws kopen voelt dan soms als ‘tegen wil en dank’, zoals vorige maand het nieuwe sporthorloge – waar ik nu wel heel blij mee ben.

Er volgden nog meer van zulke aankopen – soms heb je van die vlagen, dan gaat er ineens van alles stuk. Mijn ouwe-trouwe zadeltas, a.k.a. hutkofffer. Na, wat is het, dik 15 jaar wilde de rits niet meer. Dat was echt een afscheid:

Reuze handig, zo’n grote zadeltas op de racefiets – dat dat niet zou horen, daar trek ik me niets van aan. Er kan van alles in, ook dingen als een extra bril, jackje, krentenbollen, tegenwoordig mondkapje, handontsmetter, papieren zakdoekjes, enzovoort. Het was even zoeken, Agu heeft ze niet meer, ik heb een even grote vervanger gevonden met hetzelfde kliksysteem.

Ook moest ik afscheid nemen van mijn beste fietsregenjackje ooit, dat waarmee ik Down Under ben rondgefietst, waar het nogal wil regenen af en toe. Het is het paarse, links op de foto – zo’n mooie kleur. Als je goed kijkt, zie je dat de witte binnenlaag ging loslaten. Vaude had nog wel hetzelfde type, alleen niet meer in het paars –  de nieuwe kleur vind ik ook prachtig:

Minder emotioneel maar wel praktisch lastig was het vervangen van ketting en cassette van mijn racefiets, want er is lastig aan fietsonderdelen te komen. Het is inmiddels wel gelukt, een verjongingskuur voor m’n 19-jarige. Zeker samen met die nieuwe zadeltas én ook nog eens een nieuw meeneem-pompje, want ook daarvan was het vorige stukgegaan: stukje van de houder afgebroken, en die is niet los verkrijgbaar.

Gewoon op was m’n voorraad sportvoeding, ook al gaat dat langzamer dan normaal vanwege het ontbreken van wedstrijden. Dus een doos met repen en gelletjes besteld, ik kan weer even voort.

Vanmiddag trok ik een zwembrilletje stuk, dat gebeurt eens in de zoveel tijd en vijf maanden  niksdoen was er misschien ook niet goed voor:

Ik heb er daar sowieso altijd twee van in gebruik, en ik bleek er ook nog een op voorraad te hebben.

Aan het – door de glazen op sterkte relatief dure – brilletje hoefde ik voor de verandering geen geld uit te geven, want dat liep wel op de laatste tijd natuurlijk. Dat kan wel, maar niet zo makkelijk als normaal. Ik heb over vorig jaar inmiddels een boel vooruitbetaalde belasting teruggekregen, maar ook dit jaar in mijn omzet onder invloed van corona nog niet terug op het normale niveau.

Dit waren allemaal noodzakelijke (nouja…) herstel- en vervangingsdingen – na deze blogpost gaat wat stuk is naar de prullenbak, met dank. En nou mag de rest wel heel blijven voorlopig!

Er zijn ook een paar uitbreidingen. Al een tijd geleden kocht ik in de uitverkoop na het zwemseizoen een neopreen cap en die heb ik ik vandaag voor het eerst gedragen. Bij het eerste openwaterzwemmen van het seizoen! Eindelijk! Het water is van steenkoud in best-wel-aangenaam overgeslagen, dus het had zonder zo’n cap gekund, maar ik wilde hem graag uitproberen. Ging prima.

Ik heb ook nog een houder gekocht om mijn telefoon op het stuur van m’n fiets te zetten, voor navigatiedoeleinden (ik ben ook eens aan Komoot begonnen), maar die heb ik nog niet uitgeprobeerd. Komt later wel. Ook die was lang onderweg.

De grootste uitbreiding is niet direct triathlongerelateerd, maar wel heel erg leuk: we hebben vorige week een opvouwbare kajak gekocht, een Oru Beach, als over-en-weer verjaarskado. Ik had vorig jaar erg veel lol gehad in het kajakken in onze Hobie, maar die is tweepersoons. Ons nieuwe bootje til je met z’n 12 kilo makkelijk in het water en zo kunnen we allebei, maar dan wel los van elkaar, in ons eentje ook gaan varen – ook elders, want opgevouwen past-ie makkelijk in een auto. We hebben vorige week geoefend met in- en uitvouwen en zaterdag was de tewaterlating:

Kijk, dat zijn de leuke dingen!

En die zon en die warmte, hè, aaaah, eindelijk!

 

 

Nauwelijks bijwerkingen vaccinatie

Aangezien het er veel over gaat, hier mijn duit in het zakje: ik had van de vaccinatie van woensdag nauwelijks bijwerkingen. In algemene zin voelde ik me prima, iets preciezer had ik van twee dingen wel last:

  • De aangeprikte spier was stijf en pijnlijk. Dat was echt wel fors, erger dan ik me van eerdere vaccinaties herinner. Woensdagavond en donderdagochtend had ik moeite om mijn arm boven schouderhoogte opgetild te krijgen en in de nacht ertussen kon ik er niet goed op liggen. Zwemmen zou zelfkastijding geweest zijn! Na 24 uur begon het af te nemen en vrijdag was het weer gewoon. Misschien was het een beetje pech door het prikken zelf, want het voelde meteen als een triggerpoint/dry-needling-behandeling, dus misschien was de prik net in een gevoelig stukje spier terechtgekomen.
  • De twee trainingen met lange, intensieve intervallen afgelopen weekend (fietsen en hardlopen, allebei met blokjes net onder de anaerobe drempel) voelden net wat moeizamer dan anders en mijn hartslag bleef ietsje laag voor het tempo/vermogen. Dat zijn verschijnselen die ik eerder wel benoemd heb als ‘het gaspedaal niet kunnen vinden’. Daar heb ik de hele overgang lang regelmatig last van gehad. Daardoor herken ik het inmiddels als een signaal dat mijn lichaam met iets anders bezig is en minder puf heeft dan normaal om (zwaar) te sporten. In de overgang was het bezig met de instabiele hormonen, nu was het kennelijk bezig met het ‘kweken’ van immuniteit tegen corona. Helemaal zeker weet ik dat niet trouwens, want ik heb nog steeds ook wel eens wat wiebelige hormonen, dus misschien was het alleen dat wel. Hoe dan ook, het viel wat mij betreft binnen normale fluctuaties in de vorm van de dag. ik kon gewoon trainen, maar het voelde minder lekker en ik had ook geen topprestatie kunnen leveren. Maar dat valt wel mee dus.

Feestdag!

Bijzondere dag, om twee redenen die vandaag samenvielen:

  • Ik heb voor het eerst in bijna vijf maanden weer gezwommen! Sinds vorige week is de kandidaat-op-fietsafstand waar ik eerder over schreef open: het buitenbad van het Van Maanenbad. Met royale openingstijden maar wel de nodige haken en ogen: reserveren, vooruit betalen, duurder dan voorheen, tijdslots van 45 minuten. Heel erg te trappelen stond ik daarom vorige week nog niet, zeker niet na die annulering van m’n halve triathlon (inmiddels is ook de derde van de drie triathlons die ik gepland had geannuleerd: mijn wedstrijdseizoen is al om zeep vier maanden voordat het zou beginnen – daarover een andere keer meer). Maar het buitenwater blijft maar koud en een corona-buitenzwembad wilde ik toch wel eens meemaken. 
    Vandaar: vanochtend was het zo ver, samen met Nicole. Of eigenlijk begon het gisteravond al, met het uitgraven van m’n zwemspullen:
    Het papiertje is het reserveringsbewijs en het wetsuit bleek achteraf niet nodig. Ik had na wat zoekwerk op Facebook gevonden dat de watertemperatuur 20 graden was, maar het bleek nog warmer te zijn, en dat ging best zonder wetsuit. Het was hooguit even fris aan het begin.
    Het eerste moment van aftrappen en door het water glijden was echt geweldig, zeker omdat alles stralend helder blauw was in de lentezon:
    Mijn lijf wist ook nog prima wat het moest doen om borstcrawlend vooruit te komen. Wel voelde ik meteen m’n schouder, die eigenlijk pijn heeft gedaan vanaf het abrupte einde van het zwemmen in december en die weliswaar goed vooruit gaat, maar er nog niet is. Hopelijk helpt het zwemmen bij het terugvinden van de balans erin.
    Ik timede bovendien een 100-metertje en dat was wel confronterend langzaam: 2’05. Nouja, mooie nulmeting, ik weet van vorig jaar wel dat ik het ook weer heel snel opbouw allemaal.
    De zon en het voelen van het water en de lol van zwemmen smaakten beslist naar meer – ik was bijna vergeten hoe leuk dat was, zwemmen! De volgende keer moet ik er wel aan denken om een grotere handdoek mee te nemen, want uit het water was het wel even koud. Maar heerlijk om weer te doen!
  • Thuis kon ik net even lunchen en daarna moest ik meteen door naar…. het vaccinatiecentrum! Van Schiedam Groenoord:
    (Binnen mocht je geen foto’s maken, snap ik.)
    Vorige week had ik de envelop op de mat gevonden op de eerste dag dat kon, en ik had meteen een afspraak gemaakt (ik wel).
    Ik val in de griepprikcategorie, vanwege mijn hartritmestoornis – die niet erg is en de laatste tijd zelfs helemaal niet merkbaar is, maarja, ik ‘loop’ nog wel bij de cardioloog, één keer per jaar. Ik ervaar mezelf niet als extra kwetsbaar, maar een paar weken eerder gevaccineerd worden is welkom en ik beschouw dat ook maar als compensatie voor de stress die ik heb gehad rond de diagnose.
    De prik zit erin inmiddels, de spier protesteerde even maar verder voel ik me prima. Ik vond het best leuk om de logistiek te zien en het ging vlot allemaal.
    En ja, ik laat me zonder aarzeling vaccineren. In goed vertrouwen dat de ontwikkelaars hun werk fatsoenlijk gedaan hebben, voor mijn eigen gezondheid (ik vind vooral de verhalen over long covid alarmerend genoeg, ben ook verder steeds voorzichtig) en omdat vaccineren hopelijk voor ons gezamenlijk een uitweg biedt uit deze clusterfuck.

Deze ‘feestdag’ had ook nog een opmaat. Ik was immers bezig met een ‘yogastreak‘: elke dag yoga van Yoga with Adriene zo lang ik niet zwom. Daar kwam gister na 148 dagen een einde aan. Ik blijf yoga’en, maar niet meer elke dag.

Het t-shirt met de yoga’ende hamsters had ik mezelf rond de 100e streakdag kado gedaan. Hamster Fabian heeft het nog niet geïnspireerd tot meedoen met zo’n tree pose.

Ik vond het toepasselijk om te eindigen met ‘Yoga for gratitude‘. Dat was sowieso een lekkere, en ik voelde de gratitude tot diep in mijn vezels: voor 148 dagen yoga, voor Yoga with Adriene, voor op die manier zo goed door die lange, taaie coronawinter gekomen te zijn, voor zo veel geleerd en ontwikkeld te hebben, voor zo veel plezier ook – en ook wel een beetje voor het vaccin.

 

De vrouw bestaat niet

Interessant stuk in de nieuwsbrief van Mysportscience gister, ik citeer Kirsty Elliot-Sale:

Should women get different sport and exercise science advice/support than men? The honest answer is that [right now] we just don’t know.

Dat wist ik al wel, maar Elliot-Sale gaat verder met uitleggen aan wat voor soort onderzoek het ontbreekt. Wat ik al wist, is dat er weinig sportwetenschappelijk onderzoek onder vrouwen gebeurt, maar wat zij voor mij verheldert is dat het geen oplossing is om te zeggen dat onderzoekers meer vrouwen in hun onderzoeksgroepen moeten betrekken. Zo simpel is het niet.

Want welke vrouw je onderzoekt, dat maakt hormonaal nogal wat uit – veel meer dan bij mannen:

  • In welke fase van de menstruatiecyclus zit die vrouw? Maakt uit voor hoge of lage niveaus van de geslachtshormonen.
  • Wat voor soort cyclus heeft die vrouw – een kunstmatige, door de pil? Met ovulatie of niet? Regelmatig of niet? Maakt allemaal uit!
  • In welke fase van de levenscyclus zit die vrouw – rond zwangerschap en menopauze vinden grote veranderingen plaats.

Je kunt dus wel ‘vrouwen’ onderzoeken, maar wat zegt dat dan over de invloed van de geslachtshormonen? Je zou kunnen zeggen: ‘de’ vrouw bestaat niet – ooit de titel van een boek van Maarten ’t Hart waar ik op de middelbare school (al!) een werkstuk over schreef.

Dat dit veel uitmaakt, of kan uitmaken, is hoogst actueel. Niet op sportgebied, maar voor wat betreft de bijwerkingen van de corona-vaccins. Zodra bekend werd dat het vooral vrouwen onder de 60 waren die bij AstraZeneca de stolsel-bijwerking kregen, dacht ik al: er is vast een relatie met de vrouwelijke geslachtshormonen.

In een column van Rosanne Hertzberger in de NRC van afgelopen weekend las ik dat de vaccins alleen maar zijn uitgeprobeerd op vrouwen die niet zwanger waren of borstvoeding gaven én die aan anti-conceptie deden, dus met een relatieve oververtegenwoordiging van pilgebruiksters – die geen natuurlijke cyclus hebben.

De vrouwelijke proefpersonen waren dus niet representatief voor alle vrouwen. Daardoor duikt zo’n probleem mogelijk pas op bij uitrol in de gehele bevolking. Misschien plukken we daar nu de wrange vruchten van. Ik formuleer het allemaal voorzichtig, want zeker is het niet. Opvallend wel.

Ontnuchterend ook. De titel van Hertzbergers column is ‘Van het vrouwenlichaam weten we te weinig’. Dat is helemaal waar.

Niet dus

Ik had het de laatste weken uitgedokterd, ook al wist ik dat het allemaal onzeker is: ik zou een triathlonseizoen van tien dagen hebben, eind augustus, begin september, met drie wedstrijden. In het midden de halve triathlon van Noordoostpolder, als hoofddoel, een week ervoor de sprint in Leiderdorp als opwarmertje (‘hoe ging dat ook alweer, triathlonnen?’) en kort erna nog de kwart van het Zwin, voor de gein – dat was er te kort op, maar die was doorgeschoven van vorig jaar en die doe ik toch vooral voor het parcours.

Ik was vorige week begonnen met het maken van een trainingsschema en afgelopen zaterdag zat ik helemaal klaar om me in te schrijven voor de enige waarvoor dat nog moest, meteen dat hoofddoel. Die inschrijving zou namelijk op 1 mei openen.

Niet dus.

Afgelast.

En ja, het zou onzeker zijn, natuurlijk, dat weet ik. En ik heb vorig jaar een dikke laag afgelastingseelt op mijn ziel gekweekt. Maar toch kwam dit hard aan. Omdat mijn hoofddoel daarmee door mijn handen viel, maar vooral omdat ik dacht: tsjongejonge, als het eind augustus nog niet kan, wanneer dan wel, dan in elk geval dit hele seizoen nog niet.

Wat kan er dan wél, tegen die tijd? Mag ik hopen op een buitenlandse wandelvakantie? Voorlopig maar weer forse slagen om de arm.

En als het echt zo is dat tegen die tijd zo’n beetje iedereen die dat wil, gevaccineerd is en het kan dan nog steeds niet, dan stemt dat mij ook somber over de langere termijn. Dat is nog allemaal afwachten natuurlijk.

Later op de dag luisterde ik naar Rijnmond en daar passeerden gesprekken over het Songfestival en reclame met hoe je tickets kon winnen voor het EK voetbal. Dat ervoer ik als vervreemdend: Songfestival en EK voetbal wel, maar triathlonnen niet? Vanwege het grote geld? Kunnen er alleen mega-commerciële dingen doorgaan dan?

Ik vraag me af of we met z’n allen wel voldoende hebben nagedacht over wat we weer willen, over wat prioriteit heeft in een zich openende samenleving. Een beetje langs de lijnen ook van wel naar een terrasje maar nog nauwelijks samen mogen sporten, wat mijn keuze ook niet is. Ik vind dat zorgelijk.

Ondertussen ben ik nieuwe plannen aan het maken. Maar het valt me eventje zwaar nu – ook door het aanhoudende slechte weer. Nouja, als mijn langste wedstrijd straks om één kilometer zwemmen gaat, heb ik op dat punt geen haast om het open water weer in te duiken. Dat is nog stervenskoud.

Maar o, wat zou ik graag wél zwemmen, bij een graadje of twintig en een zonnetje erop….