Welkom (sticky)

Cartoon van Ironman LouiseOp 28 augustus 2016 volbracht ik, op mijn 50e, de Ironman van Vichy. Als je meteen daarover wilt lezen: hier staat het verhaal van die dag. Ik begon bijna twee jaar ervoor met dit weblog om te vertellen over de weg erheen, die met de nodige ups en downs is verlopen

Sinds mijn Ironman blik ik hier nog af en toe terug en ik vul nog wat aan en ik schreef ondertussen ook over het seizoen erna (2017) en sindsdien: ik ben een prachtige reis verder en trainingsbegeleider geworden. En ik triathlon nog steeds!

Wees welkom, neus lekker rond op dit weblog, ik heb geprobeerd het leuk én informatief te maken. Als je wilt reageren, doe dat – vind ik leuk!  

Waar of niet waar?

  • Als je ouder wordt, kun je het beste wat rustiger aan gaan doen
  • Als je spieren wilt kweken, moet je extra eiwitten eten
  • Als een trainingsaanpak goed werkt voor je vriend(-in), is het dus een goede methode en zal die ook werken voor jou.  

En zo hoor je nog wel meer verhalen… kloppen ze of niet? Over sportmythes en -verhalen organiseren Groen Wellness en Sportkunstenaar een gratis avond op 4 april. Ik zal daarin deze drie voorbeelden bespreken, en nog een heleboel meer. De bedoeling is dat het een leuke en leerzame quiz wordt. Wees van harte uitgenodigd – meld je aan bij mij.  

 

Terug naar het plezier

Ik had inderdaad griep, ten tijde van mijn vorige post, dus ik was even flink ziek: 3 etmalen koorts, daarna moe en een rottige hoest. Daar kwam bij dat de overgangshormonen me ook weer een enorme poets bakten – ik zal jullie de details besparen, maar het wordt wel tijd voor een bezoek aan de gynaecoloog. Zo had ik anderhalve week geleden het gevoel dat er twee vrachtwagens over me heen gereden waren: een virale en een hormonale. 
 
Maar het was niet alleen kommer en kwel. Ja, dit is/was voor mijn luchtwegen een extreem slechte winter, maar de zorgen om m’n weerstand werden een stuk minder toen manlief óók ziek werd, met hogere koorts dan ik zelfs. Hij is nooit ziek, maar tegen sommige virussen is duidelijk geen kruid gewassen. Hij hoest ook nog steeds.*  
 
Nog een andere zorg minder: ik heb die frisse fysiotherapeutenblik op mijn bekken-heup-schouderblessure laten werpen, en daaruit bleek zeker geen slijtage. Die fysiotherapeut zag bovendien ook nog wel perspectief in een intensief oefenprogramma. Alleen mag ik dan wekenlang niet fietsen of hardlopen, en dat ga ik richting het seizoen niet doen. Als dat moet, waar ik m’n twijfels over heb, dan maar in de winter. Dus: wordt mogelijk nog vervolgd.
 
Een paar uur na dat bezoek trok de felle pijn ineens weg, in een doodgewoon half uurtje dat ik aan het werk was, en sindsdien gaat het eigenlijk prima. Dat blijft het mysterieuze aan die blessure: het komt en gaat. Snap jij het, snap ik het.
 
Met dat twee-vrachtwagens-gevoel heb ik spullen in een tas gegooid en thuis alles afgerond en ben ik zondag redelijk welgemoed vertrokken richting Mallorca voor een trainingsweekje met JDR Cycling. Maar die zondag woei het hard, en op z’n hardst rond Eindhoven, net op het moment dat ik van daar zou vliegen.
 
Niet dus. Om een lang verhaal kort te maken: vliegtuig werd omgeleid, wij moesten met de bus naar Schiphol, 4 uur vertraging, veel onduidelijkheid, alleen wat vliegtuigsnacks als avondeten, een paar minuten voor middernacht op Mallorca in het hotel. Pfff…. Wel gezellige aanspraak aan Nicole, ook een dame alleen op pad. Het was nog maar de tweede keer dat zij vloog, ze hield zich kranig.
 
Ik had mijn twijfels over of ik mezelf dat wel aan moest doen, heftig fietsen op Mallorca, en of ik met de groep mee kon komen. De week was ooit bedoeld om m’n hardloopbenen om te turnen in fietsbenen, maar nu voelde het alsof ik überhaupt geen benen meer had.
 
Maar dat viel eigenlijk niet tegen. Of nouja, maandag en dinsdag heb ik het wel moeilijk gehad, met m’n gehoest en ook nog duidelijk een grote weerstand in mijn lichaam tegen me te diep inspannen. Ik klom – overigens de hele week – met een raar lage hartslag, en dinsdag was het helemaal niet zulk geweldig weer, en had ik op het eind gewoon geen zin meer in die wind aan mijn kop en de kou aan mijn lijf. Dat wilde gewoon níet afzien – punt-uit.

Klaar voor vertrek, v.l.n.r. Rudy, Roger, Marcel, Philip, Joris, Gabe, Ellen, Paul, ik (foto Ruud)

Het was die eerste twee dagen dus vooral overleven. Maar ik kon voldoende meekomen met de groep van zes plus twee reisleiders, Roger (l) en Rudy:
 
Af en toe zaten er stukjes ‘vrij rijden’ in, en dan reed ieder op eigen tempo (= dan gingen de snelle mannen raggen) en bleef een van de reisleiders bij mij, dat werkte prima. Sowieso heeft JDR Cycling de zaakjes goed voor elkaar, met onder andere een mooie fietsenkelder met voor ieder een vaste plek voor fiets met slot en plek voor je tasje met gewone schoenen. 
 
Ondanks alles kon ik zo zelfs af en toe een beetje genieten van de kennismaking met het eiland. De reisleiders leken wel elk klein weggetje te kennen, en dat zijn er een boel. Zo slingerden we wat af. Maandag door het binnenland, dinsdag voor het eerst richting de mooie, ruige bergen en een heus pasje over, de Erepas:
 
Dat alles op een lekker fietsje, een Ridley die prima was afgesteld op de maten die ik vooraf had doorgegeven. Ik heb nog nooit zo goed op een huurfiets gezeten, het zat als op mijn eigen fiets, en schakelde beter (mijn eigen racefiets wordt volgende maand 17!). 
 

Met m’n eigen zadeltas formaat hutkoffer – handig

Woensdag was een rustdag en die heb ik in Palma doorgebracht. Ik vond dat een verrassend leuke stad. Ik heb een stadswandeling gedaan langs oude muren, een Arabisch badhuis en patio-huizen. Daarna de bijzondere en zelfs grappige kathedraal bezocht. Het hoogtepunt was mijn bezoek ’s middags aan het Miró-museum, op zijn voormalige woonplek met studio’s waar zijn graffiti nog op de muur zit. Oog in oog met de schilderijen waar ik zo van houd kikkerde ik spontaan op. 
 
Zodoende durfde ik het aan om op donderdag met de koninginnerit mee te gaan: een prachtige tocht door de bergen en langs kust waarbij je de bergen van West-Mallorca in zee zag vallen. Het was eindelijk echt uitgesproken mooi weer en onder de Mediterrane zon voelde ik me weer fietser in plaats van patiënt. Helemaal jofel was het zeker nog niet, maar ik kon wel weer écht genieten. Grappig genoeg vooral ook heel erg van het afdalen, want dat had ik in geen tijden gedaan zonder bagage achterop. Klimmen ook niet, maar dat blijft altijd zwaar voelen. Afdalen zonder al dat gewicht voelde leuk huppelig.
 
De groep was inmiddels uitgebreid tot acht, en een van die twee ‘nieuwen’ was een andere 50+-dame, Ellen. Ik was daardoor (net) niet meer de langzaamste van de groep en dat was wel comfortabel voor mijn ego, moet ik zeggen. Daarbij was ze erg aardig – met haar man Paul erbij werd de groep gaandeweg hoe langer hoe gezelliger. Zij raakte vrijdag geblesseerd, IT-band, ik hoop dat ik haar nog een klein beetje heb kunnen helpen met tips voor rekoefeningen. 
 

(foto Paul)

Die dag, vrijdag opnieuw een mooie tocht, naar het klooster van San Salvador, op een bergtop met uitzicht over zo’n beetje het hele eiland. 
 

(foto Rudy)

Zo zonovergoten dat ik een beetje verbrandde. Niet verkeerd, sowieso niet, maar zeker niet als ik alle verhalen uit Nederland hoorde, over non-stop wind en regen. Het was een prima week om weg te zijn!
 
De tijd buiten het fietsen heb ik vooral besteed aan rusten en herstellen – in bad of met een biertje, een boekje, wat internetten, wat rekken, goed eten enzo. Ik had alleen de matige camera van m’n telefoon dus heb niet veel goede foto’s, er zijn er ook nogal wat mislukt, maar ik heb er wel frappant veel gemaakt van al dat eten en drinken, hahaha:
 

Koffie mét in Palma

Bier en chips in mijn hotelkamer, na de koninginnerit

Avondeten (buffet in het hotel)

Ontbijt (idem)

Koffie mét op zaterdag in Cala Pi

Sjieke lunch aan de kust, zondag

Veel alleen tussendoor, fijn, nouja, de maaltijden samen, gezellig. Dat is wel fijn aan het concept van JDR Cycling: het kan samen, maar hoeft niet. Ik vond de balans tussen alleen en samen heel prettig zo. In een eenvoudig, ietsje oubollig maar verder okee hotel in een gebied dat in het hoogseizoen een ware toeristen-hel moet zijn, maar nu een prima uitvalsbasis was.
 
Op zaterdag sloeg die balans helemaal door naar alleen, want toen was er geen begeleide tocht meer, en ben ik dus op eigen houtje een rit gaan maken. Dat werden 97 kilometers, een stuk of 3 te veel doordat ik aan het eind even een extra slingertje moest maken omdat ik het goede betonblok niet herkende tussen al het beton langs de kust – ik kwam anders aan dan voorheen. Maar verder heerlijk en ontspannen gefietst en wat meer tijd genomen om te sightseeën: langs een vuurtoren…
 
… een kustplaatsje met koffie mét (foto boven, Cala Pi), een prehistorische nederzetting… 
 
… daarna nog weer een klim op, de Puig de Randa, naar opnieuw fenomenaal uitzicht:
 
Daarna heb ik zelfs nog heel eventjes gezwommen in het pietepeuterige hotelzwembad – lekker voor de spieren en vooral een heel goed teken dat ik daar de puf weer voor had.
 
Zondag heb ik de Mallorca-sport afgerond met een klein stukje hardlopen, om de stramme fietsspieren los te lopen, slalommend om de toeristen op de boulevard en nog zo veel mogelijk mediterrane zon opzuigend – het was nog warmer en zonniger. 
 
De middag heb ik luierend doorgebracht: twee terrasjes, op het strand gelegen, m’n teen in de zee gestoken en me verbaasd over de ranzigheid van het – vooral – Duitse toerisme daar. Eén middag daartussen was al genoeg. Het contrast op Mallorca tussen het massatoerisme aan de kust en het ruige en rustigere binnenland is wel heel erg groot. Ook in de prijzen: mijn ene lunch zondag kostte ongeveer net zo veel als die van de vorige dagen samen. Maar daarvoor zat ik wel op een wat sjieker terras en dus zonder straatmuzikanten en meezingende Duitsers, en dat was me wel wat waard.
 
Het vliegtuig terug ging keurig op tijd – het kan dus wel. Ik voelde me moe maar tevreden. De week was anders dan ik voor ogen had gehad toen ik ‘m boekte; ik had me graag fitter gevoeld en onbekommerder over mijn gezondheid. Maar ik heb min of meer kunnen doen wat ik wilde (> 500 km fietsen, het werden er zo’n 530), en ik ben ervan opgeknapt. Niet helemaal: ik hoest nog steeds. Maar ik voel me wel veel beter dan anderhalve week geleden.
 
Ik durf op dit moment niet zo goed vooruit te kijken. Ik was in januari in bloedvorm, maar ik ben sindsdien dusdanig ingestort op drie fronten (luchtwegen, hormonen, blessure) dat ik wel weer heftig ben geconfronteerd met de totale onvoorspelbaarheid en oncontroleerbaarheid van mijn prestatieniveau. 
 
Maar ik weet ook: die goede vorm is niet heel ver weg. En ik geef het niet op, ik ga er weer het beste van maken. Ik heb afgelopen week gelukkig wel weer kunnen ervaren hoe gaaf fietsen is. En dat is het allerbelangrijkste: plezier erin hebben.
 
 
 
* Voor degenen die denken: waarom was Henk niet mee naar Mallorca? Nou, die is vol in training voor de marathon van Rotterdam; ik ben wel vaker in deze tijd zonder hem wezen fietsen, zie bijvoorbeeld hier
 

Rollercoaster

Ik heb al vaker geschreven dat ik dit weblog net zo goed Louises kwakkelblog had kunnen noemen. Daar heb ik afgelopen tijd weer veel stof voor verzameld. Vooraf afgelopen week was een rollercoaster – en het is nog niet voorbij. Ik zet het hieronder op een rijtje, ook om het van me af te schrijven.

Dus waarschuwing: niet lezen als je niet tegen verhalen over kwaaltjes kunt!

Ik had al geschreven dat ik zaterdag moest uitstappen uit de halve marathon met de ergste pijn in bekken en heup sinds het begin van die vage blessure, vier jaar geleden. Het is in die periode ook wel tijden heel erg goed gegaan en er was sowieso goed mee te leven. Maar net de laatste tijd ging het minder. Dat begon al in de herfst, en toen dacht ik: laat ik nog eens een poging wagen of ik het structureel op kan lossen. Dat zou sowieso fijn zijn, en bovendien ben ik de tijd- en geldvretende bezoekjes aan de chiropractor wel eens zat.

Zodoende ben ik begin november naar een osteopaat gegaan. Het kan toeval zijn, maar sindsdien gaat het eigenlijk alleen maar slechter. Ik heb dat eerder gehad: twee jaar geleden maakte Krullaards Perfect Reset het ook alleen maar erger. Ik twijfel op dit moment nog over de voortzetting van de behandeling.

De laatste keer adviseerde de osteopaat me om met de huisarts na te gaan of mijn linkernier wel okee is. Zo kijken osteopaten: naar de relatie tussen bewegingsapparaat en organen. Ik heb dat besproken met de huisarts, die ging er iets van fronsen, maar okee.

Twee keer bij de assistente mijn urine laten controleren, allebei de keren een miniem bloedspoortje erin. Dus misschien inderdaad iets niersteen-achtigs? Enerzijds heftig, anderzijds gaf het me hoop op verbetering van de scheefstand-narigheid. Zo ver was ik dinsdag.

Woensdagochtend heeft de huisarts een echo gemaakt van mijn nieren en blaas, en daar was niets bijzonders op te zien. Hij keek ook nog een keer naar mijn plas en toen zat er geen bloed in. Dus zag hij geen aanleiding om er verder iets mee te doen.

Enerzijds een opluchting: ik had al wat zitten googlen en nierstenen had mogelijk een dieet betekend, waarbij vooral allemaal dingen die ik erg lekker vind niet mogen: noten, zwarte thee en zout vooral.

Anderzijds een teleurstelling, want een oplossing van het scheeftrekken was dus ook niet via die kant te verwachten. En dat bloedspoortje? Dat was niks. En dat scheeftrekken? Gesprek met de huisarts: of ik een zittend beroep heb? Nou, soms, maar niet extreem, en ik sport veel. O, u sport veel (op wantrouwende toon)? Tsja, zo doe je het nooit goed natuurlijk, en over sport ga ik met m’n huisarts niet meer in discussie, na eerdere frustraties daarover. Nou, zei hij, dan lag het aan m’n bewegingspatroon, kon ik oefeningen voor doen. Ja, dûh – ik oefen me al jaren helemaal te pletter, bijna elke dag; ik kan nu dingen met m’n bil- en buikspieren en psoassen die die vier jaar geleden onmogelijk voor me waren.

Hij had wel nog een nuttige tip: m’n matras. Die heeft manlief inmiddels met de zijne, iets hardere, omgewisseld, en mogelijk maakt dat uit, ja.

Oja, en en passant meldde de huisarts ook even dat ik een vleesboom heb – of ik dat al wist. Nee, en het is op zich ook niet erg, het komt veel voor, en het is een verklaring voor al die heftige menstruaties van de afgelopen jaren. Maar helemaal happy werd ik er niet van – ik ga het wel over een tijdje laten controleren, want mijn moeder is aan baarmoederkanker overleden. Een vleesboom vergroot de kans daarop weliswaar maar ietsje, maar toch.

Nou goed, ondertussen trok de pijn in bil en heup wat weg en heb ik dinsdag en woensdag enorm genoten van de zon: ik ben naar afspraken in Leiden (heen, weer) en Den Haag gefietst. Dat ging vrijwel zonder pijn en ik kikkerde ervan op.

Donderdag ben ik ook alweer even gaan hardlopen, dat ging redelijk. Kort daarna ging ik hoesten. Het voelde wat kriebelig dus ik dacht aan hooikoorts. Maar gister werd ik in de loop van de dag wel héél moe, en rillerig. Ik lag om 8 uur in bed, ik heb 12 uur geslapen en vanochtend had ik 38,2. Griep. Dus. Ofzoiets.

Met dat ziekige lijf, al dacht ik toen nog aan hooikoorts, heb ik me gister nog wel opnieuw naar de chiropractor gesleept. Die heeft het hele gebied van onderrug, bekken en heupen gemobiliseerd, dit keer zonder het te manipuleren, en dat scheelt een stuk. Massage er later nog overheen en dat voelt allemaal veel beter nu.

Wel zei de chiropractor, ook alweer en passant, nog even dat ik in de gaten moet houden of het niet slijtage van mijn heup is. Volgende schrik! Toen ik daar later thuis op googlede, dacht ik: nee, dat is onwaarschijnlijk. Ik weet ook wel dat ‘peuten’ makkelijk slijtage roepen als ze het ook niet meer weten.

Ik ben voor deze klachten wel toe aan nieuwe deskundigheid, een frisse blik. Staat op de agenda. Wie weet een echt heel erg goede fysiotherapeut in Overschie en omgeving?

Maar eerst herstellen van deze griep (ofzoiets). Mijn vierde luchtweginfectie sinds september, m’n vijfde in een jaar, en drie daarvan hebben lang geduurd (3, 4 en 6 weken), zodat ik me nu wat zorgen maak omdat ik over een dikke week op fietstrainingsstage naar Mallorca vertrek. Ik probeer die zorgen weg te drukken; ik weet dat ik zwartkijkeriger word van ziek zijn.

Ik maak me zo langzamerhand ook zorgen over mijn weerstand in het algemeen. Voor mijn gevoel is mijn lichaam erg uit balans. Tussen al die luchtweginfecties in zat ook nog een blaasontsteking (december) en hormonen-ongein. Ik had hier al eerder geschreven dat ik regelmatig afgedraaid thuis was gekomen uit werk (moe, ergernissen) dus ik had mogelijk iets te veel hooi op mijn vork, maar dat was dan vanwege verminderde belastbaarheid, niet omdat de belasting zo groot was. En ook omdat de fysieke problemen op hun beurt ook voor extra belasting zorgen – de vicieuze cirkel van de blessure. Deze week alleen al: heftige pijn, m’n tweede halve-marathon-DNF, wel nierstenen, geen nierstenen, een vleesboom, een versleten heup en griep – dat kreeg ik allemaal op m’n bordje, deal er maar mee. 

Tussendoor had ik in januari juist ook een hardloop-topperiode. Snap jij het, snap ik het.

Mezelf minder belasten qua werk is heel moeilijk op korte termijn bij te sturen. Of nouja, preciezer: voor mij als eigen baas is de ziekmelddrempel heel hoog. Overigens, ook een teken ervan dat het een moeilijke tijd voor me is: ik heb me in het afgelopen jaar drie keer ziekgemeld voor werkdingen, dat is een record sinds ik voor mezelf ben begonnen (2001), en mogelijk komt er komende week ook nog wat bij. Zo went het wel, want de drie ziekmeldingen leidden tot begripvol verzetten van de afspraak, en daardoor wordt de drempel voor mij wat lager, wat wel goed is.

Sporten zit er dus voorlopig niet in. Met zo’n brak, koortsig lijf is dat glashelder.
Zucht. Maar misschien is de rust wel goed voor mijn heup.

En gelukkig is er op TV de Omloop en later het WK allround. En goede boeken. En donderdag, hoestend en wel, nog een mooi concert. Nu is er de laptop, met m’n rug tegen de verwarming…. 

(Nee, dat is niet ergonomisch, maar daar lijkt het scheeftrekken niet erger van te worden.) Er is een lieve man die voor me zorgt. En die hele rollercoaster van de afgelopen week – op z’n best kan ik er ook wel weer om lachen.

Tsja, en verder: accepteren maar. En er komen ook echt weer betere tijden.

 

Tsja

Afgelopen zaterdag is ook mijn tweede poging tot het lopen van een goede halve marathon geëindigd in een DNF. Mijn tijdsambities moest ik al binnen 3 kilometer laten varen, en rond de 13 km kon ik niet eens m’n normale duurlooptempo meer volhouden – ik was een leeggelopen ballonnetje. Ik voelde ’t al een beetje aankomen, al had het misschien ook mee kunnen vallen: ik was totaal uit vorm. Oorzaken:

  • Ik had alweer een tijdje behoorlijk last van het ‘scheeftrekken’ van bekken, heup en rug – dat blijft op en neer gaan, en de laatste tijd gaat het niet heel lekker. Vorige week kon ik zelf voelen dat mijn benen ongelijk van lengte waren (= scheefstand bekken), en daarom ben ik vrijdag naar de chiropractor  gegaan. Ik wist dat dat riskant was, want het geeft soms napijn. Maar met ongelijke benen lang hardlopen geeft groot blessurerisico – het zat misschien ook achter die verrekte kuitspier van eerder deze maand. Dus linksom of rechtsom was het een gok. Deze pakte verkeerd uit: ik verrekte dit keer van de napijn. M’n ischias-zenuw zat ergens in het nauw, en die voelde ik door mijn hele been trekken, vooral door bilspier en langs heup. Ik liep dus met vrij veel pijn. Daar kan ik me nog wel eens doorheen bijten, maar het was niet het enige. 
  • Ik was erg futloos. Dat was ik al een paar weken – het is sinds zaterdag opgeklaard. Ik had weer een heel rare hormonenvlaag, voor het eerst in maanden. Zaterdag had ik weer heel sterk dat uit 2017 bekende gevoel van het gaspedaal niet kunnen vinden, van een hoofd dat denkt met een wedstrijd bezig te zijn en een lijf dat daar ‘ja, doei, bekijk het maar’ bij denkt en ‘pompiedom’ doet – dus met mijn wilskracht mijn benen niet aan kunnen sporen. Daaraan vooraf ging dat ik wekenlang het gevoel heb gehad dat ik op het punt stond om ongesteld te worden – dus wekenlang PMS. Met z’n vadsigheid, zwaarte (2 kilo erbij), vlagen van chagrijn, buikpijn, slecht slapen en vermoeidheid. Ik kon ook slechter tegen werk- en reisdrukte en kwam in een paar weken tijd te vaak afgedraaid thuis, en zo werd ik nog moeier. Ik was zaterdag best een beetje op eigenlijk. 
  • Ik heb te vroeg gepiekt, ook echt wel. Nouja, dat kan ik achteraf makkelijk zeggen natuurlijk. Te snel opgebouwd (in een half jaar van 0 naar 21 kilometer), dat is een risico, dat wist ik. Ik was na die snelle 15 km over mijn beste vorm heen en toen kwam er bovendien gekwakkel – een veeg teken. Nouja, geprobeerd, niet gelukt met die halve marathon, en er wel dat PR aan over gehouden.

Ik schrok van de aversie tegen lopen die ik in mijn lichaam voelde – die had ik de hele trainingsperiode niet gevoeld, maar die herinnerde ik me wel, onder andere van de lange duurlopen in 2015 en van de mislukte marathon in 2017. Als lopen niet wil, voelt dat nog totaal anders dan wanneer ik niet lekker fiets of zwem – véél naarder. Ik dacht dat ik zo had getraind dat ik die aversie kwijt was gespeeld, maar dat was dus niet zo. Daar schrok ik van. 

Ik vond het even moeilijk, na zaterdag, vooral omdat ik in januari het gevoel had dat ik eindelijk wist hoe ik met dit lijf moet hardlopen. Een maand later en ik zit weer vol met twijfels. Was ik te pretentieus? Had ik als trainingsbegeleider beter moeten weten?

Nouja, op dat punt van te snel opbouwen/vroeg pieken misschien wel, al was het me de gok wel waard. Ik leer ook nog steeds hoe dat moet, pieken. Verder is het vooral ook pech geweest. Ik had deze maand ook griep kunnen krijgen, dan was het ook niet gelukt met die halve marathons.

En dat met die aversie, zo realiseerde ik me, dat heb ik het hele afgelopen jaar níet gevoeld. Zelfs niet bij de langere en zwaardere trainingen. Dus dat is juist grote vooruitgang. Ik heb goed en lekker getraind, dat blijft zo – tsjonge, wat ben ik blij met die evaluatie van begin februari! 

En, zo realiseerde ik me op zondag ook, nadat eerst een paar mensen het tegen me hadden moeten zeggen en nadat ik m’n hoofd had gelucht op de fiets: kunnen uitstappen is ook Sportkunstenaarschap. Accepteren van pieken (die komen weer, dat weet ik inmiddels ook wel) en dalen, van de teleurstelling en de frustratie, van de niet-maakbaarheid, van de weg die belangrijker is dan het doel. Geleerde lessen. Het ‘back to basics’ van na het uitstappen terugwandelend en -dribbelend wél kunnen genieten van de zon en het landschap. Weten dat mijn eigenwaarde niet afhangt van een tijd op de halve marathon.

Nu gaat het vizier eerst op fietsen en dan richting de halve triathlon. Ik moet nog bedenken hoe ik het trainen voor het lopen daarbij aan ga pakken. Als ik mezelf nu even looprust gun, kan ik misschien de draad oppakken en dan oefenen met wél goed pieken. Al is lopen in een triathlon heel anders. Of zal ik rond die tijd toch ook nog een losse halve marathon proberen te lopen? Of moet ik het nog verder loslaten dan dit?

 

Sporten voor je hoofd

Sinds deze week ben ik gecertificeerd runningtherapeut – maar ik wil daar nog een ander woord voor bedenken. Ik leg het hieronder uit.
 
Certificaat opleiding runningtherapie
 
Ik heb woensdag de opleiding runningtherapie afgerond. Onderwerp is het inzetten van hardlopen of een andere duursport ten behoeve van iemands mentale gezondheid, bijvoorbeeld bij angst, somberheid, stress en vermoeidheid. De opleiding bestond uit leeswerk, twee lesdagen en een terugkomdag en tussendoor oefenen door iemand in de praktijk te begeleiden.
 
Ik heb er een boel van geleerd, al had dat ook wel in minder lestijd dan drie dagen gekund – de dagen waren lang, een effect dat nog versterkt werd doordat het in Groesbeek was en er reizen en een keer een overnachting voor me bijkwam.
 
Althans, het had korter gekund in formele zin, als je het beperkt tot wat ik zou moeten weten om runningtherapie te geven. Waar de opleiding wel heel nuttig voor is geweest,  zou ik meer zien als ‘sfeer snuiven’, of liever gezegd: kennismaken met de wereld van de zorg en de hulpverlening. Die ken ik natuurlijk wel, onder andere als gebruiker ervan en als krantenlezer. Maar dat is op behoorlijk grote afstand tot mijn sportwerk. Vooral de eerste twee dagen had ik moeite om van die woorden als ‘patiënt, ‘indicatie’ en ‘verwijzing’ te rijmen met mijn eigen ervaringen en mijn werk voor Sportkunstenaar.
 
Daarnaast vond ik het verbazingwekkend dat geen van de docenten vroeg naar ervaringsdeskundigheid binnen de groep. Statistisch gezien kan ik niet de enige geweest zijn met ervaring met het nut van sporten in, zeg, een burnout, en ik had daar graag wat over gedeeld (heb ik dat hier ooit ergens opgeschreven, dat ik altijd al wel sportte maar het belang ervan voor mijn hoofd ontdekte tijdens mijn burnout in 1999? Ik heb m’n eigen running-, nouja, fietstherapie uitgevonden toen, en kijk wat daarvan gekomen is!). Zo leek er dus een ‘wij’ van de hulpverleners/psychisch gezonden te zijn versus een ‘zij’ van ‘patiënten’.
 
Gaandeweg ging het me dagen: zo zie ik het niet, dat wil ik helemaal niet. Ik wil  een veel gelijkwaardigere relatie met de mensen met wie ik werk. Ik ben niet ‘de hulpverlener’ en mijn coachees zijn niet mijn ‘patiënten’. Ik heb misschien een beetje doorgeleerd, maar verder ben ik ook maar gewoon een sporter die zelf ervaren heeft en nog steeds doorlopend ervaart dat duursport goed is voor mijn hoofd. Ik heb zelf ook mijn lopen, fietsen en zwemmen nodig voor mijn geestelijke gezondheid, daarin verschil ik niet van runningtherapiedeelnemers.
 
Toen ben ik dus door een fase gegaan waarin ik dacht: nou, dat ga ik dus niet doen, runningtherapie aanbieden, ik ben geen therapeut. De praktijkervaring heb ik dan ook in eigen kring gezocht, en dat ging goed, dat was erg leuk en nuttig – en gezellig, voor mij ook, samen sporten.
 
En inmiddels ben ik ergens middenin terechtgekomen: wat als ik het nou anders noem? ‘Sporten voor je hoofd’ ofzoiets? Ik ben daar nog niet helemaal uit – wordt vervolgd. Zo heel veel anders dan wat ik met Sportkunstenaar al doe aan begeleiding voor sportende levenskunstenaars is het dan niet eens, behalve dat het wel degelijk gaat om samen sporten. En dat het hoofddoel je mentale welzijn is, niet per se de sportieve prestaties, al hoeft dat elkaar zeker niet uit te sluiten, integendeel zelfs.
 
Ondertussen geldt wel; mocht je dit lezen en geïnteresseerd zijn in runningtherapie of een andere vorm van sporten voor je hoofd, in Rotterdam Overschie en omgeving, neem dan contact op.
 

(nog?) Geen kers op de taart

Het is maar goed dat ik vrijdag die proces-terugblik had geschreven, want vandaag zou ik toch een stuk minder tevreden zijn. Ik schreef het al: er kan van alles gebeuren. Inderdaad.

Gister strandde mijn halve marathon na 9,4 km. Toen verrekte ik een kuitspier, althans, ik denk dat dat het is. Ik had rond 6 km ook al even felle pijn gevoeld maar die trok toen weer weg, maar op 9,4 was het plotseling nog pijnlijker en het ging niet meer weg. Tsja, weer eens een DNF…  

Ik wist toen al wel dat het geen wereldprestatie ging worden, die halve marathon, want daarvoor kwam de snelheid te moeizaam. Toen ik later m’n horloge uitlas, zag ik dat ik bij gemiddeld zo’n 10 seconden langzamer dan twee weken eerder met een hogere hartslag liep dan toen – dat kwam door het restant verkoudheid waar ik vrijdag al over schreef, ook voelbaar aan wat futloosheid. 

Maar ik liep verder wel lekker, in het zonnetje en mooi landschap, en die verrekking kwam uit het niets. Ik heb eigenlijk nooit last van m’n kuiten. Twee jaar geleden heb ik daar in de buurt wel iets soortgelijks gehad, meer van voren zat dat (tegen m’n scheenbeen), en dat was eenmalig en snel over, hopelijk gaat dat nu ook zo. Dat het links is, is vast weer niet toevallig, daar zit steeds al m’n gesukkel: bekken, heup, rib, achillespees en nu kuit.

Als ik nu zo’n terugblikpost als vrijdag had geschreven, had ik daarin vermoedelijk geconcludeerd dat ik te vroeg gepiekt heb, met die goede lopen in januari, daarna verkouden, tegenstribbelende spieren en nu die verrekking – tekenen van er net overheen zitten qua belasting – maar mogelijk was het gewoon pech allemaal? Waar gehakt wordt, vallen nou eenmaal spaanders, en dat geldt voor mij (en voor veel anderen) zeker voor hardlopen.

Ook van die gedachten als dat het toch echt niet wil bij mij, hardlopen in het algemeen en die halve marathon in het bijzonder, druk ik weg – daar is die evaluatie van vrijdag ook goed voor geweest. Het wilde wél. Beter dan ooit. Alleen geen kers op de taart gister.

Nog geen kers op de taart? Wat ik hoop is om binnen vier weken alsnog een halve-marathonpoging te kunnen wagen, na weer een beetje trainen. Dat zit er minstens een week niet in, denk ik, al valt het me vandaag niet tegen: op een kleine plek hoog in mijn kuit voelt het als extreme spierpijn – niet meer dan dat (ook niet minder overigens, de trap af is best lastig). Zou dat met een week rust over zijn? Ik hoop het! Er zijn eind februari/begin maart nog leuke halve marathons in de omgeving.

Over een maand wil ik het vizier op fietsen gaan richten. Dan is dit nog steeds een goede trainingsperiode voor de halve triathlon geweest. Maar ik wil dus eigenlijk nog graag dat beetje meer.

Als trainer was ik trouwens wel tevreden, want Nicole was mee voor de 5 kilometer en die loopt op ‘mijn’ trainingschema’s elke keer sneller, dus dat gaat hartstikke goed. En het was gezellig, wat hielp tegen mijn blessurechagrijn. 

En tot slot: hulde voor de organisatie van AV Gouda. Verkeersregelaars waren behulpzaam, de EHBO was attent (al was er voor hen weinig eer aan me te behalen), ik kreeg na 2 km wandelen een lift met de auto die de verkeersregelaars kwam ophalen, iedereen was bezorgd en aardig – dat ging echt helemaal prima. Nadat ik me er eventjes wel zorgen over had gemaakt of ik 10 moest gaan wandelen, want zoiets gebeurt natuurlijk altijd op het verste punt…

Al tevreden

Van het congres waarvan ik de vorige keer een foto postte en schreef dat ik er niet veel nieuws had gehoord, heb ik toch iets meegenomen dat is blijven hangen: evalueer je proces de dag vóór de wedstrijd. Dat vertelde Kirsten van der Kolk over de aanloop naar haar gouden medaille in Peking. Tijdens de wedstrijd zelf kan er van alles gebeuren wat je beeld van het proces kan beïnvloeden, terwijl dat misschien niet terecht is. 

Overmorgen loop ik de halve marathon waar ik sinds de zomer voor aan het trainen ben, althans, de eerste van de twee, en ik weet het ook nog niet 100 % zeker, want ik ben nog net niet helemaal fit: ik heb nog wat laatste restantjes van alweer een verkoudheid, geen ernstige, maar, zoals voor mij typerend: het duurt weer lang om er echt helemaal van af te komen.

En meteen heb ik daarmee ook het enige ding te pakken dat minder goed is gegaan, als ik terugkijk op mijn trainingsproces: ik ben sinds de zomer drie keer verkouden geweest, waarvan één keer lang en zwaar (november/december). Dat heeft me in totaal ongeveer twee trainingsweken gekost en ook heel wat gedub over wel-of-niet. Mogelijk heb ik ook één of twee keer getraind terwijl ik dat beter niet kon doen, maar dat weet ik niet zeker. 

Nouja, als dat alles is, iets waar ik weinig controle over heb bovendien, dan heb ik dus verder gewoon goed en probleemloos getraind, en dat is ook zo. De aanloop heeft zelfs al wat mooie dingen opgeleverd: meteen op de eerste zaterdag van het jaar liep ik mijn snelste 10 kilometer in jaren, voor zover ik me kan herinneren mijn op-één-na-snelste ooit, en dus een Sara-PR, zoals dat heet: snelste sinds ik 50 ben. Erna ging ik met manlief en Nicole op de foto, alledrie in Sportkunstenaar-tenue:

Met z'n drieën in knalroze shirts

Twee weken later, op mijn 53e verjaardag, liep ik zelfs een echt heus PR: mijn snelste 15 kilometer ooit. Ik postte hier al: er is hardloophoop! Het was toen wel schitterend weer, dat moet gezegd: het was, op vorig jaar in Nieuw-Zeeland na, mijn zonnigste verjaardag ooit. (Leuk was dat ook manlief aantoonde dat ‘age is just a number’: hij werd, op z’n 61e, 2e, tussen kerels van 33 en 22!)

Ik ben dus erg tevreden met hoe mijn trainingsschema heeft uitgepakt. Ik omschreef dat in december, in het kort: veel aandacht voor techniek, 1 lange, rustige duurtraining op gevoel, 1 middellange training met intervallen van 1 km op halve-marathonsnelheid, 1 korte training met kortere intervallen royaal boven die snelheid, en af en toe een wedstrijd. Die korte trainingen heb ik een aantal keren met Nicole gedaan, één keer in de sneeuw:

Nicole en ik in sneeuw met zon

Dat ritme heb ik tot in het nieuwe jaar volgehouden, met daarbij als langste duurloop eentje van precies 2 uur (18,3 km), die me relatief makkelijk afging. Echt een feest wordt zo lang lopen nooit, maar het is zeker wel moeilijker geweest.

De laatste maand was de regelmaat eruit vanwege al die bijzondere weekends. Tussen de twee wedstrijden zat ook nog een zware training: nog een keer 2 uur lopen maar dan in die tijd 20 km, als snelle duurloop, ook nog eens onder zware omstandigheden. Dat was een georganiseerde duurloop van de Road to Rotterdam, dus in een gepacete groep met verzorging. Hier komt mijn ‘treintje’ aan:

Groepje lopers op atletiekbaan

Tussendoor deed ik dan alleen maar zo’n korte training. Desalniettemin werd het pittig en net de laatste weken ga ik dat wel voelen, vooral aan m’n hamstrings en zeker de linker. Beide hamstrings moeten harder werken dan voorheen vanwege mijn andere techniek, met een groter accent naar achter (hielopzwaai) en die linker heeft het zwaarder omdat die heup (al jaren) minder lekker meebeweegt (wordt nog steeds aan gewerkt ook, de laatste tijd met een osteopaat). Ik denk dat ik met mijn opbouw maximaal ver ben gegaan, wat sowieso best wel ver is,  want in de zomer kon ik een paar weken niet hardlopen door een achillespeesblessure, en binnen een half jaar van 0 naar 21,1 km is niet niks, maar het is dus prima gegaan.

Goed, en nou dus op naar twee halve marathons, zondag en – in principe – op 22 of 23 februari. Ik had een tijd rond en liefst net onder de 2 uur in gedachten, en met een PR van 1:58:12 is ook dat mogelijk. Ik heb geen idee wat eruit gaan willen komen. En ook als het niet lukt, kijk ik dus toch met tevredenheid terug op het trainen: ik ben nog nooit zo ver gekomen, met relatief weinig (zwaar) werk. Ik heb bovendien met veel plezier getraind. En dat is dus sowieso mooi.

 

Weer eens actiefoto’s

Ik stond er afgelopen week twee keer leuk op. Allereerst bij het Nationale Coach Congres van NLCoach waar ik vrijdag was, hier op de eerste rij tijdens de beste van de workshops waar ik bij was, van Kelly Dekker over ACT in de sport:

In zaaltje met andere deelnemers met tennisbal op muur achtergrond

Ik heb op het congres trouwens niet zo veel nieuws gehoord waar ik zelf wat mee kan voor Sportkunstenaar, maar het was wel een leuke dag, voor een groot deel door het spotten van beroemdheden. Ik reed bijvoorbeeld achter Ronald Koeman de parkeerplaats op en moest nog speciaal stoppen zodat hij rustig kon inparkeren op z’n VIP-plek. 

Zondag heb ik een beetje moeizame tien kilometer gelopen in de dikke mist en restanten sneeuw in Spijkenisse – wel een leuke loop trouwens. Hier doe ik druk-knoppie op de finish, in een okee tijd maar die had wel veel moeite gekost:

Lopen, atletiekbaan, mist en de klok staat op 55:52

(en die haklanding en dat gestrekte been, hopelijk heb ik dat de andere 9999 stapjes niet gedaan!)

Er is hardloophoop

Ik wist van tevoren dat ik dit jaar het hardlopen vanaf 0 zou moeten opbouwen – na 3,5 maand fietsen immers. Dat zag ik als een kans: ik had ruim te tijd erover na te denken hoe ik dat zou gaan doen.

Want ik bleef maar het gevoel houden dat het met dat lopen van mij beter zou moeten kunnen. Beter dan de afgelopen bijna vier jaar. In het voorjaar van 2015 liep ik een PR op de halve marathon en op de 5 kilometer. Daarna ‘moest’ ik het vizier richten op de lange afstand vanwege de Ironman en deed ik een paar eigenlijk mislukte pogingen tot het lopen van een marathon, had ik wat blessure- en ander kwakkelleed en uiteindelijk na die laatste mislukte marathon ook een aardige hardloop-motivatiedip. Het waren dus maar matige hardloopjaren. Een nieuwe start – nieuwe kansen?

Ik wist ook dat het tot de winter zou duren eer ik echt weer een stap kon zetten, want kort na terugkomst dit voorjaar brak het triathlonseizoen aan en dan moet ik mijn aandacht verdelen over drie sporten. Die andere twee kunnen in de winter wel in de onderhoudsstand, dus op dit moment is het vol gas vooruit met hardlopen.

Tot nu toe gaat het lekker en ik ga vooruit. Het moet zich allemaal in februari gaan bewijzen. Dan hoop ik een halve marathon op minstens oud niveau te lopen, dus in 2 uur, en als het heel goed gaat, zit er dan misschien ook nog wel een PR in, maar dat hoeft niet. En dat is dan ook weer een tussenstap op weg naar een goeie halve triathlon in de zomer.

Zonnig winters uitzicht over de Maas in Rotterdam vanaf de Erasmusbrug

Ik heb twee dingen gedaan sinds maart: ik ben anders gaan trainen en ik heb geïnvesteerd in techniek.

Techniek bijleren
Toen ik toch vanaf 0 moest beginnen met opbouwen, heb ik dat gedaan op blote-voeten-schoenen. Dat strandde in juli in een achillespeesblessure: lopen op zulke minimalistische schoenen is toch wel heel erg zwaar voor mijn kuiten. Of anders gezegd: dat zou wel engelengeduld vergen om op te bouwen. Ik ben weer teruggegaan naar traditionele hardloopschoenen en half-hoge voor het korte werk, en ik ga kijken wat daarvan komt. Toch heb ik wel wat overgehouden aan die maanden op de dunne schoentjes: ik land beter onder mijn zwaartepunt en maak kortere stapjes, waardoor ik meer op mijn hele voet land dan alleen op mijn hak. Dat is winst!

Daarnaast heb ik vanaf augustus een vervolgcursus Chi-running gedaan. Die zit er net op, in de tussentijd hadden we zeven lessen en een video-analyse. Dat is heel nuttig geweest  – en leuk ook steeds, in een klein groepje in het Kralingse Bos. Twee grote leerpunten:

  • Ik kan nu voelen wanneer ik rechtop blijf door mijn botten goed op elkaar te stapelen, in plaats van door mezelf met spierkracht recht te trekken. Door de vele ‘loop rechtop’-boodschappen van trainers (bij mijn oude atletiekvereniging en in de hardlooptrainersopleiding) liep ik met te veel spierspanning in mijn bovenlijf – gevalletje hypercorrectie en te hard werken. Rechtop lopen blijft lastig voor me – dat ik het kan voelen wil nog niet zeggen dat ik het altijd doe. Nog steeds werk aan de winkel, maar ik weet wel beter waar ik het zoeken moet.   
  • Ik loop met steeds meer ontspanning in mijn benen. Tot mijn verrassing loop ik dan vanzelf harder! Dat was een echte eye opener, tijdens de tweede les waarin we ons concentreerden op ontspannen knieën. Kennelijk liep ik altijd iets tegen te houden. Soms voelt het nu bijna als flap-flap-flap! Als dat samenkomt met het eerste punt, loop ik lekkerder en makkelijker dan ooit tevoren.

Lichter trainen
Ik heb lang de tijd gehad om na te denken over welke trainingsaanpak voor mij zou werken (motto: wees je eigen trainingsbegeleider). Uiteindelijk heb ik een programma samengesteld, geïnspireerd op de souplessemethode, met vier elementen:

  • Eén lange duurtraining in de week, opbouwend met een kilometer per week naar zo’n 18 kilometer, ongeveer twee uur. Bovenstaande foto maakte ik op de meest recente duurloop, vanaf de Erasmusbrug. Ik liep toen in totaal zo’n 17 kilometer al, maar met pauzes. Zonder pauze is de volgende stap 16 km. En het gaat goed! 
    Die duurloop loop ik niet op tempo of hartslag, maar op gevoel voor ontspanning en techniek: ik loop zo rustig mogelijk als technisch goed gaat. En dat wordt nog steeds langzamer, deels vanwege de langere afstanden en deels ook vanwege steeds meer ontspanning en steeds beter rustig kunnen lopen zonder verlies van techniek, dus zonder te gaan sjokken. Dus trager lopen is in dit geval een goed teken! 

    Hoe je het ook wendt of keert: lange duurlopen blijven zwaar voor me. Ergens boven de 12 kilometer betreden mijn benen een ander hardloopuniversum, en dat blijft pittig. Dat betekent dat ik de andere trainingen niet te zwaar mag maken, om de totale belasting niet te groot te maken.
    Want dat heb ik wel onder ogen moeten zien toen ik de afgelopen jaren evalueerde: ik heb mogelijk te zwaar getraind. Vaak liep ik naast een lange duurloop nog twee keer in de week bij de atletiekvereniging en dat waren zware trainingen. Achteraf denk ik: ik kon en wilde het niet geloven, maar ik ben misschien toch wel een beetje overtraind geweest, bijvoorbeeld in de aanloop naar Istanbul. Daarom dacht ik nu: laat ik de rest eens licht houden. Dus….

  • De tweede training zijn intervallen van één kilometer op het beoogde halve-marathon-tempo dat me naar een klein PR zou brengen: 5’30. De rusttijd tussen de intervallen is lang: zo’n 800 meter, of minstens ook die 5’30. Dat betekent dat ik goed herstel tussendoor en de kilometers op souplesse kan lopen. Het idee van dit type intervallen is dat ik mijn lichaam leer om het wedstrijdtempo vanuit ontspanning aan te kunnen. Dat gaat tot nu toe prima – ik ben op 1 begonnen, zit nu op 5 van die intervallen, in een loop van in totaal ongeveer tien kilometer. Om de drie weken komt er een kilometer bij. Het tempo komt makkelijk, het is lekker en leuk lopen. 
  • De derde training is helemaal niet zwaar of hard, het voelt zelfs amper als trainen. Ik doe dan korte, felle maar soepele intervallen, van 100, 200 en 400 meter. Ik zit nu op in totaal nog geen 5 km met 1500 meter aan intervallen, het bouwt op tot zo’n 7 km met 2500 meter intervallen. Ook op souplesse, dus met relatief veel rust tussendoor. Deels is dat snelheidstraining, maar vooral is het techniektraining: mijn benen leren snel te lopen. Dat lijken ze op dit moment aardig op te pakken: vanmiddag liep ik één van mijn snelste 200 meters ooit, in 48 seconden-nogwat – nog steeds snotterend trouwens, want de verkoudheid sukkelt toch nog steeds maar door. Deze training is nuttig zonder zwaar te zijn en heeft daardoor iets speels – ik doe ‘m met veel plezier.
  • Tot slot: de tempohardheid – het ‘bijten’, zeg maar. Dat zit niet in het wekelijkse programma; het is de bedoeling om regelmatig aan een loop mee te doen. Ik heb een paar 5 kilometers gelopen, de eerste keer 10 moest wijken omdat ik te verkouden was, komende zondag staat er een 10 op het programma die ik wil lopen op halve-marathontempo. In januari volgen nog een 10 die sneller mag, en een 15 weer op 5’30/km. Plus een georganiseerde intensieve duurloop van 20 km op 6’/km in de ‘Road to Rotterdam’. Die trainingswedstrijden mogen wel een beetje pijn doen; in ruil daarvoor train ik die week dan maar twee in plaats van drie keer.

Alles op een rijtje is dit ook een gepolariseerde vorm van trainen die lijkt op hoe ik afgelopen zomer het fietsen aanpakte, wat me bepaald geen windeieren legde: lange rustige duur, medium-lange intervallen op wedstrijdsnelheid en korte intervallen flink harder dan dat. Grootste verschil is dat die wedstrijdsnelheid bij hardlopen voor mij op iets lagere intensiteit ligt dan bij fietsen. Bij fietsen kruipt mijn hartslag tot vlak onder mijn omslagpunt, waardoor die training beslist in de ‘sweet spot’ zit. Bij hardlopen zit mijn hartslag iets daaronder. Ook de intensieve intervallen zijn bij fietsen wat zwaarder – daarbij zie ik echt het snot voor de ogen, zeg maar. Maar zo hard moet ik dus met hardlopen niet gaan, dat wordt veel te belastend.

Dat heb ik dus echt moeten leren: dat ik beter loop bij minder belasting. Nouja, dat moet zich in februari dus gaan bewijzen. Tot nu toe gaat het prima, wat betekent dat ik in elk geval lekker train!