Welkom (sticky)

Cartoon van Ironman LouiseOp 28 augustus 2016 volbracht ik, op mijn 50e, de Ironman van Vichy. Als je meteen daarover wilt lezen: hier staat het verhaal van die dag. Ik begon bijna twee jaar ervoor met dit weblog om te vertellen over de weg erheen, die met de nodige ups en downs is verlopen

Sinds mijn Ironman schrijf ik hier verder over mijn eigen belevenissen, vrouwensport en trainingszaken – ik ben inmiddels trainingsbegeleider geworden. En ik triathlon nog steeds! Hoofddoelen voor 2019 zijn een halve triathlon in juli en het fiets-onderdeel van de hele van Almere als trio (september).

Wees welkom, neus lekker rond op dit weblog, ik heb geprobeerd het leuk én informatief te maken. Als je wilt reageren, doe dat – vind ik leuk!  

De spagaat

Afgelopen zaterdag leverde ik een van mijn beste sportprestaties ooit. Ik was daar naartoe gepiekt met toegewijd trainen en ik voelde me dan ook topfit. Fitter dan in heel lang zelfs, of liever gezegd: stabieler fit dan in heel lang.  

Woensdag zat ik bij de…. cardioloog. Die me geruststelde – inderdaad heb ik, zoals ik al dacht, de afgelopen zes weken meer last gehad van panikerende artsen dan van m’n hart zelf.

Wat is er gebeurd? Welnu, ik had hier vorig jaar al eens geschreven dat ik af en toe last had van hartkloppingen. Of nouja, last… ik merkte hartkloppingen op, last had ik er nauwelijks van. De huisarts had toen onder andere gezegd: als je ze nou een keer hebt, kom dan even langs om een ECG te laten maken, dan weten we meer.

Prompt had ik ze daarna tien maanden niet meer, en daarna een paar keer alleen maar midden in de nacht. Ik had ondertussen geleerd hoe ik m’n hart weer rustig kon krijgen, dus dan deed ik dat en sliep ik gewoon weer verder. Soms was me omdraaien in bed, hoesten of wat drinken al genoeg, en als het moest, ging ik uit bed, liep ik een paar rondjes door de huiskamer, deed wat burpees en jumping jacks en zodra ik dan ging hijgen, was het over. Dat was wel eens vervelend natuurlijk, om 3 uur ’s nachts lig ik liever in bed dan dat ik door de woonkamer hups, maar dat was dan ook alles.

Tot de ochtend van 9 augustus. Toen werd ik met die hartkloppingen wakker en dacht ik: nu is de kans voor dat ECG. Zo gezegd, zo gedaan. Moest ik nog voorzichtig naar de huisarts toe schuifelen ook, want het stopt dus als mijn hartslag oploopt. Maar het lukte, en inderdaad was er op dat ECG iets te zien: boezemfibrilleren.

Achteraf gezien leek het wel alsof op dat moment alle alarmbellen gingen rinkelen. Ik vat het kort samen: later op de ochtend had ik de Eerste Harthulp aan de lijn die me sommeerde onmiddellijk te komen, dat heb ik geweigerd (ik zat met een heel rustige hartslag te werken), toen ‘moest’ ik terug naar de huisarts, die schreef bloedverdunners en bètablokkers voor en zei nog een paar andere alarmerende dingen.

Ik snapte er niks van. Eerst leek er niet zo veel aan de hand, ik had ook eigenlijk afgerond nergens last van, ik voelde me hartstikke fit – vanwaar die paniek? Mijn huisarts ging ook nog net op vakantie, dus daar kon ik niet terecht met mijn vragen.

Ik in spagaat, in finishersshirt Challenge Almere TriTogetherDe week erna heb ik urenlang gegoogled, ik ben bij de apotheek gaan praten (omdat in de bijsluiter van de bloedverdunners stond dat ze voorgeschreven worden bij boezemfibrilleren ‘plus een andere risicofactor’ – van die andere factor was ik me niet bewust), ik heb gebeld met de Infolijn van de Hartstichting en ik heb gepraat met een aantal ervaringsdeskundigen.

Langzaam-maar-zeker werd me helder dat ik inderdaad boezemfibrilleren heb, maar dan wel in een zeer lichte vorm: ik heb het maar heel sporadisch, mijn hartslag blijft binnen de perken, ik kan het zelf stoppen en ik voel me er niet slecht bij. Ik was blij dat ik de bètablokkers meteen had geweigerd, omdat mijn hartslag 99 % van de tijd rustig en laag is – in rust onder de 50. En fatsoenlijk sporten is er moeilijk mee (zie hier). Met de bloedverdunners ben ik op eigen houtje gestopt – ik was er niet van overtuigd dat het nodig was, en ik wilde niet leeglopen als ik bij al dat fietsen eens een keer op mijn oren zou gaan.

Ondertussen had ik dat boezemfibrilleren niet meer. Wel is mijn hart ’s nachts vaak onrustig, nu meer met overslagen – nog onschuldiger dan boezemfibrilleren, hooguit vervelend. Volgens mij zijn het de jongste overgangsgrillen. Want die hartkloppingen heb ik steeds in dezelfde periode als opvliegers, en dat valt ook samen met het wegblijven van m’n cyclus. Ik ben nu dik drie maanden niet ongesteld geweest, een record, en ik moet zeggen: op de hartkloppingen na is dat een verademing.

Volgens de cardioloog, waar ik woensdag dus eindelijk mee sprak, kan het wel zo zijn dat mijn hart door het vele sporten gevoeliger is voor boezemfibrilleren. Duursporters hebben het relatief vaak, zelfs een paar beroemde, waaronder Robert Gesink, al is de relatie niet eenduidig (zie bijvoorbeeld hier). Ik ben benieuwd, ik krijg nog een echo van mijn hart, en daar is dat misschien uit af te leiden.

Verder: geen medicijnen, ik kan en mag alles, niks om me zorgen over te maken – wat ik nooit heel erg gedaan heb, want ik bleef ervan overtuigd dat mijn hart het goed deed – of mijn leven of sporten aan aan te passen. Volgens de cardioloog kan ik er gewoon honderd mee worden. En als het door de overgang komt, gaat het vast wel weer voorbij, denk ik zelf.

Met de huisarts heb ik het inmiddels uitgepraat – er zijn inderdaad die vrijdag in augustus wat dingen fout gegaan. Dat kan gebeuren natuurlijk.

Ik heb de afgelopen weken veel geleerd. Maar dat heeft me dus wel veel tijd en stress gekost. Precies in dezelfde weken als dat ik eerst topvorm aan het kweken was en later een superprestatie leverde. Dat was een heel gekke spagaat.

 

Actie-miniatuurtjes

We hadden zelf dus geen actiefoto’s van mij op de fiets zaterdag, maar die zijn wel gemaakt door de professionele fotografen langs het parcours – heel veel zelfs, veel meer dan van Henk en helemaal veel meer dan van Marcel. Ze zijn bespottelijk duur om aan te schaffen, maar ik heb een paar leuke ‘uitgeknipt’ om hier toch wat te kunnen laten zien – in miniatuur en met letters door me heen:

Op deze is net een beetje te zien hoe druk het was – dat moet het eerste rondje geweest zijn, met de halve afstand ook nog op het parcours:

Beautiful Day – U2

Sinds een tijdje noemt manlief z’n Strava-activiteiten altijd naar een goed muzieknummer – iets wat hij overigens heeft afgekeken van mijn Mallorca-genoot Marcel (andere Marcel, niet onze zwemmer). Ik kijk het nu weer af voor deze blogpost.

Want een mooie dag was het, gister. Ik was erg blij met mijn eigen prestatie. Ik hoopte erop de 180 km in 6 uur te klaren, dus 30 km/u gemiddeld te rijden. Ik wist dat het daarvoor wel wat mee moest zitten met het weer (de wind vooral) en mijn eigen vorm van de dag. Allebei was niet eens helemaal optimaal, maar wel goed, en goed genoeg om mezelf te overtreffen: het werd 5:49:43, gemiddeld 30,88 (officiële eindtijd).

Voor mijn gevoel wilde er echt uitkomen wat ik er in de maanden voorbereiding in had gestopt, en dat voelde hartstikke lekker – zeker omdat dat bij mij ook wel eens anders is. Dit was voor mijn doen zeldzaam goed! 

Het weer was fantastisch natuurlijk, en mijn lijf deed waar ik het op had voorbereid: mijn raceplan pakte helemaal uit zoals ik wilde. Ik heb ook mooi vlak gereden, kon het vermogen (dikke 180 Watt) goed volhouden, zonder al te veel last van nek, schouders en rug. Aan het eind was ik het wel zat, werd het zwaar en zat ik te verlangen naar de ‘verlossing’ van er zijn, maar dat hoort erbij.

Het ‘niet eens optimaal’ zat hem erin dat de wind in de tweede ronde opstak en nergens echt helemaal meer mee was, en dat ik de nacht ervoor in een benauwde hotelkamer amper had geslapen. Maar dat deerde allebei dus niet ernstig.

Verder was het ook een mooie dag. Het begon al op vrijdagmiddag, toen we voor het eerst op het terrein rond konden kijken:

20190913_145926

Om 3 uur was de briefing door de race director, speciaal voor de ‘TriTogether’:

20190913_150357

Direct daarna de registratie, in een overzichtelijk kort rijtje (net daarvoor was het nog hartstikke druk geweest):

20190913_155102

En mijn fiets gestald, die een nachtje buiten logeerde:

20190913_165521

Daarna naar ons hotel, waar we Marcel en zijn vrouw Chré troffen en gegeten hebben.

Na die brakke nacht, een vroege wekker en een geïmproviseerd ontbijt (hotel was nog niet op dreef zo vroeg) en een fraai autoritje in de vroege ochtend (maan, witte wieven) waren we weer ter plekke. Marcel was er klaar voor:

IMG_0030

Om 10 voor 8 ging Marcel van start voor zijn 3,8 km zwemmen:

IMG_0036

Een uurtje later kon ik reikhalzend naar hem uit gaan kijken – dat was best een spannend moment!

IMG_0045

Jaaaa, daar was-ie al! Hij had hartstikke goed gezwommen!

We hadden afgesproken dat de ‘verse’ sporter zich steeds om de chip – ons estafettestokje – zou bekommeren (dat is handig om af te spreken, anders zit je elkaar maar in de weg te hannesen), dus ik haalde hem van zijn enkel:

IMG_0047

Gauw om mijn eigen enkel:

IMG_0048

Naar de fiets, en hops – gaan!

En daar zijn dus helemaal geen foto’s van. Henk moest zich sparen natuurlijk, en het fietsparcours komt niet in de buurt van de start en finish. Al die 180 kilometer lang… Henk, Marcel en Chré zijn een tijdje naar Renée geweest, mijn vriendin die vlak bij het parcours woont, en die mij trouwens in mijn eerste fietsmeters nog had aangemoedigd. Ze vonden daar wat welkome rust, even weg uit de herrie en drukte. Bedankt, Renée!

Ondertussen was ik dus lekker aan het fietsen, me vermakend met naar anderen kijken – het grote deelnemersveld van de halve afstand kwam me inhalen, met daarbij nog een bekende van het triathlonforum die me groette, en ik kende ook een jurylid, zij kwam ook voorbij op de motor, dat was wel leuk.

De polder lag er ook weer zeer fraai bij in de zon, en ik vond het leuk alles terug te zien na mijn verkenning van een paar weken terug. Toen reed ik op de fietspaden, nu op de weg – indrukwekkend hoe veel wegen er nu afgesloten waren, dat ze dat voor elkaar krijgen voor zo’n evenement. Op het grondgebied van Zeewolde reed wel een vrachtauto op de weg. Ik schrok daar alleen maar even van, maar ik zag dat er voor me een paar fietsers door gehinderd werden.

Ondertussen had Henk geen idee waar ik uithing, want de live tracker (app) deed het niet. Hij was zelfs bang dat ik was uitgestapt, maar omdat ik niet belde en ook andere teams problemen hadden met de tracker, trok hij de conclusie dat het daaraan moest liggen. Ik had zelf al gemerkt dat mijn chip soms geen piep gaf als ik over een mat reed. Hij blijkt het het hele eerste rondje niet gedaan te hebben, en dus bij wel meer teams. Toen hij het in het tweede rondje wel deed, konden Henk en Marcel er niet veel wijzer van worden, behalve dan dat ze tot de conclusie kwamen dat ik de gehoopte 30 gemiddelde net niet haalde.

Maar dat was dus niet zo: ik reed ondertussen bijna 31. Het had nog ietsje meer kunnen zijn als ik niet een keer had moeten plassen en twee keer had moeten stoppen omdat ik na het aannemen een bidon liet vallen en niet zonder door wilde rijden – het was vrij dorstig weer. Dus ik ging eigenlijk prima, nouja, wel met wat moeite met die wind en op het allerlaatst deed alles pijn, vooral toen ik stuiterde over het slechte wegdek van de Eemdijk dat ik me nog herinnerde van de tijdrit daar in april. Maar ondertussen desondanks ook gewoon superblij en aan het genieten – ik ging het halen, dik binnen die zes uur!

Het stukje lopen, nouja, strompelen, van m’n fiets naar de wisselzone toe was nog even helemaal niet fijn, en toen stond Henk nog net niet helemaal klaar. Hij had me nog niet verwacht!

Gelukkig kon hij wel meteen vertrekken. Ik was daarna even helemaal total loss, maar werd opgevist door Marcel en kon daarna bijkomen met Marcel, Chré en Renée. Ik had wel even Chrés oordopjes nodig omdat de muziek en omroeper iets te hard binnenkwamen – typisch geval van stuk! Ik wist ook niet wat ik met mijn rug aanmoest, niks voelde lekker. Lopen was ook niet zo’n succes – auw… nouja, dat wilde ik ook, ik had echt alles gegeven.

Henks marathon bestond uit zes rondjes van 7 kilometer, dus elke ongeveer 35 minuten moesten we op de uitkijk. Hij ging goed, kijk maar (foto’s Marcel):

IMG-20190915-WA0008

IMG-20190915-WA0005

Hij was onderweg naar een marathon in 3u35 – supergoed, en zoals gehoopt. .

Na zijn 5e doorkomst konden we ons dus opmaken voor onze gemeenschappelijke finish. Daar maakte Chré een leuk filmpje van, in twee delen. In het eerste deel zie je Henk (in het roze) aan komen lopen en dan voegen wij ons bij hem voor de finish, en je hoort de omroeper het hebben over Team Sportkunstenaars:

VID-20190915-WA0002

Deel 2 is net daarna, dan krijgen we onze medailles, zie je iemand in een blauw shirt een foto van ons maken en op mij aflopen, even smoezen en daarna gaan we voor haar poseren – dat is Sanne, het jurylid van de NTB dat ik ken. Daarna zie je Marcel zoeken naar zijn vrouw – en vinden!

VID-20190915-WA0001

Die foto’s van Sanne, die resulteerden onder andere hierin:

20190914_182914

Ik liep op blote voeten omdat ik bang was om met m’n brakke benen te struikelen over de birkenstock-slippers die ik aan had! Die zaten in de tas die Marcel op z’n rug draagt, met daarin ook onze warmere laagjes – we wilden in teamtenue finishen, maar het koelde wel af dus we hadden er daarvoor iets overheen aan.

Achter die ‘echte’ finish stond een uitgebreid snoepbuffet klaar. Marcel en ik hadden dat na onze finishes niet omdat wij in de wisselzone eindigden, maar zo konden we toch nog wat meepakken:

71185056_1121685494694708_5808586532151361536_n

Close-up van de medaille:

Medaille

Goed dat daarop, en op het finishersshirt, duidelijk staat dat het om TriTogether ging. Want dat is toch heel anders dan alles in je eentje – ik kon niet meer hardlopen na mijn finish, laat staan 42 kilometer. Toch is het ook heel anders dan een ‘los’ evenement in een van die drie sporten, al is het alleen maar om de ongewisse starttijd. En je doet het écht samen.

De spulletjes waren sowieso wel leuk. Mooi rugzakje zat erbij, en een komisch dingetje zoals voor aan je hoteldeur:

We vonden het, op die live tracker na, sowieso erg goed georganiseerd. Wat losser en gemoedelijker dan wat we bij onze Ironmans hebben meegemaakt.Voor de teams was bijvoorbeeld de wisseltassenlogistiek best wel vrij, dus onze drie kleuren (fietsspullen – loopspullen – kleren voor na afloop) hingen kriskras door elkaar:

IMG_0042

Ik vond het ook erg leuk om eindelijk eens ‘Almere’ mee te maken: de oudste nog bestaande triathlon van Europa en dé triathlon van Nederland. Gister was een memorabele editie, o.a. omdat het parcoursrecord dik werd verbroken. Van de strijd vooraan heb ik overigens alleen maar wat flarden meegekregen van wat er werd omgeroepen.

Na de finish hebben we nog erg lekkere frietjes gegeten op het terrein, en toen ging het huiswaarts. Vandaag ben ik, na een nacht wel heel lekker slapen, nog best wel brak. Het is alsof er beton zit in m’n rug en hamstrings. Maar dat gaat wel weer over,  en het voelt ook eigenlijk best wel lekker.

Nog één dingetje dan om het verhaal compleet te maken. We hadden vanaf vrijdag wat contact met de fietster van Team Wilhelmus, een vrouw van 58. Die uiteindelijk 20 minuten sneller was dan ik – chapeau! Ze deden het met z’n tweetjes, twee vrouwen, haar – jongere – ploeggenoten had nog nooit een marathon gelopen en deed dat in 4u38 –  nadat ze vroeg op de ochtend ook al had gezwommen. Wauw! Hier zitten we samen, voor onze start:

IMG_0041

In de uitslagen van de teams wordt verder geen onderscheid gemaakt tussen de mannen-, vrouwen- en gemengde teams, en er is ook geen leeftijdsklasse-indeling. Het houdt ergens op natuurlijk, dat snap ik wel.

Nou, hier is-ie dan nog een keer, onze getallen:

UitslagTrots op, blij mee.

Maar nog blijer ben ik met zo’n geslaagde en ook heel gezellige dag!

Op naar Almere!

Nog één nachtje slapen… morgen rijd ik een tijdrit van 180 km, als onderdeel van de trio-triathlon (full distance mixed relay, om precies te zijn) van de Challenge Almere – na de halve triathlon van Klazienaveen mijn tweede grote seizoensdoel. Ik heb er zin in, het weerbericht ziet er goed uit, ik vind het bijzonder om eens onderdeel te zijn van een team, zo’n lange tijdrit wilde ik al langer wel eens doen, en ik vind het leuk om eindelijk ‘Almere’ eens mee te maken, en dat bij wat de grootste triathlon in Nederland ooit gaat worden en sowieso de oudste van Europa is.

Sinds dit jaar evalueer ik steeds mijn proces net voor het grote evenement waarvoor ik heb getraind. Welnu, dat is gewoon heel goed geweest: ik heb bijna helemaal kunnen doen wat ik gepland had aan trainingen, en ik voel me ook bijna helemaal topfit, en in elk geval beter dan in de aanloop naar Klazienaveen. Anders gezegd: het trainen heeft geleid tot de vorm die ik wilde, maar zoals altijd heb ik ook twijfels…

Trainen

Fietsen was deze hele zomer af en toe lastig door het extreem wisselvallige weer, waardoor ik trainingen heb moeten inkorten, aanpassen en zelfs schrappen vanwege hitte, regen, storm of onweer. De laatste lange training, vorige week woensdag, heb ik helemaal opgegeven, want het was toen koud, winderig en nat en de snelle omschakeling van hittegolf naar herfst verteerden lichaam en ziel niet zo goed – ik was moe en had geen zin, en besloot uiteindelijk om maar risico-mijdend te zijn (niet verkouden worden, niet verkouden worden, niet verkouden worden!).

Een training skippen is altijd lastig op zo’n moment waarop het voor het hoofd fijn is om er ‘alles aan gedaan’ te hebben, maar wel wijs, denk ik. In plaats daarvan ben ik naar de sauna gegaan, dat was lekker.

Ik heb ook met veel plezier getraind. Ik schreef het al eerder: ik word gelukkig van lange, rustige duurtrainingen. Mijn lijf verteert die prima, en ik heb heerlijk gezworven, mooie tochten gemaakt, veel de ‘wide open spaces’ van de eiland ten zuidwesten van hier opgezocht (voorbeeld). Ook het verkenningsrondje van het parcours bij Renée vandaan was leuk – de polder op z’n mooist die dag.

Het niet-doorgaan van die laatste lange training vorige week voelde als een abrupt afscheid van zowel het fietsen als het landschap, maar, zo realiseerde ik me, dat is onzin natuurlijk, want het ‘moet’ straks niet meer, maar het mag en kan nog zeker wel.

Vorm

Ik heb precies de aanpassing voor elkaar gekregen die ik wilde, zag dat in de afgelopen weken langzaam-maar-zeker ontstaan als ik naar hartslag- en vermogensmeter keek: ik trap in de rustige duurzone een fiks hoger vermogen dan een paar maanden terug. Dat is precies wat ik zaterdag nodig heb. Als het allemaal verder een beetje meezit, kan het gaan lukken met die 30 km/u gemiddeld, dus in 6 uur klaar.

Dat heb ik voor elkaar gekregen door veel lange, rustige duurtrainingen gecombineerd met kortere trainingen met langere intervallen in de ‘sweet spot’ (net onder m’n omslagpunt) of heel korte als kracht- en intensieve training, bijvoorbeeld de Beneluxtunnel uitknallen. Ik ben blij met hoe m’n eigen trainingsschema is uitgepakt.

Gek genoeg is m’n vermogen rond m’n omslagpunt niet zo zichtbaar toegenomen. Die sweet spot trainingen gingen al een tijdje niet helemaal lekker, en bij 1/8e, die ik rond m’n omslagpunt fiets, reed ik die van Binnenmaas vorige week maar met een marginaal hoger vermogen dan in mei in Ter Aar (Strava geeft het vermogen niet goed aan, trouwens: het was 216 om 207 Watt).

Dat tunnel-uitknallen daarentegen, dat ging wel ook hard vooruit. Misschien was het iets mentaals, met die langere intervallen, of was het ook wel de vermoeidheid af en toe, want ik heb wel veel getraind natuurlijk. Mijn hartslag wilde ook niet lekker doorklimmen vaak, nouja, niet voor die langere intervallen.

De laatste weken deed ik alles op de Felt, waarmee ik nog dikkere maatjes geworden ben. Het kostte even wat moeite om m’n nek en bovenrug eraan te laten wennen om langer dan 3 uur in de aero-houding te zitten, maar ook die aanpassing is gekomen. Ik heb hem gisteren gepoetst, dus ook hij (zij?) is er klaar voor:

Fiets met doek aan standaard

Ik heb al een dikke week veel rust gehad, en sta zo langzamerhand dus echt wel te popelen om weer een lekker eind te gaan fietsen!

Twijfels

Ik ben er dus wel klaar voor, maar ik zou ik niet zijn zo vlak voor een groot evenement om niet toch wat twijfels te hebben. Die betreffen enerzijds m’n nek en schouders, waar de hele tijd iets net niet helemaal lekker zit. Ik ben deze week een paar keer naar de chiropractor geweest ervoor en ik hoop dat de zes uur in de aerohouding niet te vervelend worden.Overigens ben ik verder blessure-vrij; met bekken/heup gaat het al een tijd goed vooruit.

Anderzijds heb ik al een paar onrustige nachten achter de rug met opvliegers en andere overgangs-ongein. Dat is dus net weer even flink raak, al voel ik me verder, overdag dus, prima. Mogelijk komt de onrust door het taperen: de combinatie van wedstrijdspanning en opgehoopte energie van plotseling zo veel rust knalt er dan ’s nachts uit.

* * *

Ook van de beide teamgenoten heb ik goede geluiden ontvangen over hoe ze ervoor staan, dus we gaan ervoor – onderr de 11 uur binnen, hopen we. Als Team Sportkunstenaars, startnummer 1828. Almere, here we come!

 

Gastblog Nicole: Plons

Ik heb Louise beloofd een stukje over een voor mij heroïsche zwemervaring in de Schie te schrijven als gastblogger, vriendin en mede sporter/sportkunstenaar. Voor heel veel mensen die redelijk kunnen zwemmen is een afstand van 500 meter of een kilometer in buitenwater niet zo’n opgave maar voor mij kwam ligt dat anders.

Jaren geleden heb ik mij samen met een paar kennissen in een overmoedige bui aangemeld voor de 8ste triathlon Binnenmaas, die nu Hoekse Waard triathlon heet. Niet gehinderd door enige kennis van zaken kwam ik er te laat achter dat je ook nog een beetje moest kunnen zwemmen, in buitenwater. Nou ja, zwemmen kon ik best. In een zwembad. Maar op de dag zelf bleek dat het in het koude bruine water van de Binnenmaas toch andere koek was. Bovendien gingen een aantal zaken heel anders dan ik had verwacht en het was heel druk en chaotisch. Dingen zoals “o ja, het is wel een zwemstart”. Een wattes? Ik kreeg een paniekaanval en moest door de duikers uit het water gehaald worden.

Heel lang durfde ik niet meer te zwemmen, niet eens in het zwembad. Dat toch na een tijdje weer gedaan want “ooit” vond ik dat wel fijn. Ik had ook de droom van de 8ste triathlon een keer volbrengen nog niet opgegeven. Dus dan maar een paar keer een zwemcursus er tegenaan gegooid. Buitenwaterclinics. En heel veel zwemmen, alleen of met Louise. In diverse zwembaden en langs de boeien in de Zevenhuizer Plas. Dat hielp. Ik werd steeds een beetje beter. Maar de angst was nog steeds niet helemaal weg.

Omdat Louise vorig jaar al zei dat ik dat zwemmen best kon had ik mij toch vast opgegeven voor de Hoekse Waard triathlon. Desnoods kon ik altijd thuisblijven of op het laatste moment toch het water niet ingaan. Ik zag wel.

Een week voor de tweede poging nodigde Louise mij uit om samen met haar en Henk een stuk te zwemmen in de Schie. Dat wilde ik wel proberen maar ik kon niet garanderen dat ik er ook echt in zou durven. Dus op die warme zondagmiddag stond ik daar in zwemhansop in dat bruine water te kijken. Echt makkelijk erin of eruit kan je niet. Tja. Dan maar plons. Ik lag erin! In de Schie. Met de drijver van Henk, dat dan weer wel. De bedoeling was naar de kerk zwemmen en weer terug. Omdat het best goed ging werd dat iets verder. Volgens Henk zijn waterdichte supersporthorloge zelfs 1.1 kilometer!

Het heeft een hele tijd geduurd maar eindelijk Kon ik Het…een afstand zwemmen in buitenwater zonder me aan dingen vast te klampen of in paniek te raken. Qua eng water scoort de Schie best hoog, met boten, het vermoeden van meterslange meervallen, nergens een boei of een touw en héél diep. Maar het kwam goed, ik was eindelijk klaar voor de 8ste, in buitenwater met zwemstart!

Dat heeft afgelopen zondag plaats gevonden. Ik heb het niet alleen overleefd, ik was ook niet eens de allerlaatste finisher én ik heb het heel tof gevonden. Ik had nog een appeltje te schillen met die Binnenmaas en dat is eindelijk gelukt. En het mooiste is, meer zwemplezier ligt nu in het bereik.

Nicole

En dan: winnen!

Schrijf ik hier zaterdag een blogpost over dat begrenzen, genieten en accepteren van elke prestatie veel belangrijker zijn bij het sporten dan presteren, en wat doe ik dan de dag erna?

Winnen.

Ik heb gisteren de 50+-vrouwen-categorie gewonnen van de 1/8e triathlon Hoeksche Waard (voorheen Binnenmaas)! Althans, zo leek het, maar daarover verderop meer.

En ja, dat is leuk. Ik heb vaker m’n leeftijdscategorie gewonnen, maar nog niet eerder van zo veel vrouwen (20) en mét prijsuitreiking.

En dat terwijl het eigenlijk helemaal niet heel goed ging. Zwemmen ging eigenlijk zelfs gewoon belabberd. Achteraf hoorde ik van zo’n beetje iedereen hetzelfde verhaal: het was een partij vrij worstelen. Ik ben halverwege de heenweg maar om de meute heen gaan zwemmen, daarna ging het beter. Maar bijna 14 minuten – zo langzaam ben ik nog nooit geweest op die afstand, volgens mij, zelfs niet bij mijn triathlondebuut, in hetzelfde water, in 2011. Lopen ging dan weer wel okee en steeds lekkerder, ondanks dat ik veel had gegeven bij het fietsen.

Het maakte me allemaal niet zo veel uit: met het oog op de 180 kilometer tijdrit in Almere over twee weken wilde ik maar één ding: hard fietsen. En dat ging wel goed. (Nouja, ik had eerlijk gezegd nog op een iets hoger vermogen gehoopt – de lagere trainingszones, die ik in Almere nodig ga hebben, hebben duidelijk meer progressie geboekt dan de hogere. Dat is hoe ik het wil en waar ik voor getraind heb, dus dat is okee. Afgezien van gister ben ik daar zelfs superblij mee, met hoe m’n training aan het uitpakken is. Maar daarover later meer.)

Eén ding? Nee, ik wilde twee dingen: hard fietsen en lol hebben. Dat tweede is ook gelukt, op dat eerste stuk zwemmen na. Ik heb lekker gesport, daar was het prima weer voor, de Hoeksche Waard lag onder een fraaie wolken-en-zonlucht. Daarna was ik vrijwilliger-parcourswachter tijdens het fietsen op de kwart afstand, en daarna supporter en fotograaf langs het loopparcours van manlief en een hoop andere bekenden, onder andere van het Triathlonforum. Hier loopt Henk voorbij:

Altijd gezellig bij deze ‘moeder aller triathlons’ die voor ons voelt als een thuiswedstrijd (zie eerdere verslagen). Die een andere naam heeft, voor het eerst op zondag was, een prachtig parc fermé heeft gekregen (kunstgras hockeyveld) en gelukkig minder tumultueus verliep dan vorig jaar.

Ik heb bovendien genoten van de prestaties van anderen. Van Nicole, die een vlekje (nare zwem-DNF) van een paar jaar geleden wegpoetste door nu wél prima te finishen.Hier staan we samen te glunderen:

Van die boel bekenden. En van manlief, die tot zijn verrassing tweede werd bij de H60+.

Dus we gingen met twee trofeeën naar huis:

Ik weet hoe relatief het is. De winnares van de 60+-categorie was een stuk sneller dan ik!

Er zijn ook heus een boel snellere 50+-vrouwen. Gister misschien zelfs wel. De uitslagen waren namelijk een zootje en werden vanmiddag nog gecorrigeerd. Als de nieuwe versie klopt, was ik maar derde. Dat vind ik zelf een beetje katerig, en ook lullig tegenover die andere twee vrouwen. Maar geen idee wat er nou wel echt klopt.

Voor de rest, en hoe dan ook: 1e, 3e, wat maakt het uit; het gaat er niet om.

Gaan doet het veel meer om die glunderende koppies op de foto’s hierboven!

 

Zelfverwoesting? Nee, begrenzing!

Cover boekDan het laatste boek van de serie zomerrecensies op dit blog van de laatste weken, en dat is bepaald niet het minste: het heeft me van allemaal het meest aangezet tot nadenken. Het is niet een echt sportboek, maar ik zag wel de relevantie. Het gaat om Het Zelfverwoestingsboek van Marian Donner. Ik heb er zo veel over te zeggen dat dit eigenlijk meer een essay is dan een recensie. Met uiteindelijk als wijze les: bepaal weloverwogen je sportdoelen.

Het kan altijd beter

Het eerste belangrijke punt dat Donner maakt, past in een trend – ik had het hier eerder bijvoorbeeld ook al over Intimiteit, dat zit ook in die hoek, en in de media hoor ik er ook regelmatig over: de observatie dat de huidige maatschappijvorm (noem het maar het neoliberale kapitalisme), aanzet tot een onbegrensde individuele verbeterdrang. Je kunt altijd nog beter, mooier, succesvoller, gezonder, slanker, rijker, sneller en sterker worden, en dat ‘moet’ ook, om te kunnen scoren, bijvoorbeeld op de sociale media – waarvan ook het aantal likes altijd meer kan.

In drie woorden samengevat: ‘Better never stops’.

Verbeteren is op zich mooi natuurlijk, het is mogelijk zelfs een ingebouwde behoefte van de mens – de oude Grieken hadden het er in elk geval al over. En enige mate van zelfdisciplinering is ook niet verkeerd en ook niet voorbehouden aan het huidige tijdsgewricht.

Maar al dat verbeteren heeft momenteel een keerzijde: de permanente onvrede van het nooit goed genoeg zijn en het over je grenzen gejaagd worden omdat álles beter moet. Dat wordt wel gezien als de oorzaak van de epidemie van onder andere depressie en burn-out.

En als je dat krijgt, ligt dat ook weer aan jezelf: je bent een ‘loser’ als je niet mee kan komen. Je hebt dan niet genoeg je best gedaan.

Het is een knetterhard mensbeeld. Ik ben blij met zoveel kritische publicaties erover. Dat maakt mij bewuster en het geeft ook hoop op verandering.

Je kunt ook jezelf altijd verbeteren

Maar Donner gaat verder. Ze betoogt dat ook het ‘werken aan jezelf’ mateloos kan zijn. Je kunt altijd een nog beter mens worden. Ook dat is nooit goed genoeg. Kijk maar naar de hoeveelheid zelfhulpboeken.

Daar begint het voor mij een beetje te jeuken. Want ook ik doe daaraan mee. Het hele idee van sportkunstenaar, van sport als levenskunst is dat je van sporten een beter mens wordt: stronger, wiser, kinder, in de woorden van één van mijn inspiratiebronnen.

Dat ‘moet’ dus kennelijk, een beter mens worden? Altijd maar op jacht naar stronger, wiser, kinder? Daarin schuilt datzelfde risico van mateloosheid. En van dus eigenlijk ook nooit zomaar goed genoeg zijn.

En er is nog iets. Door al dat werken aan onszelf komen we niet toe aan werken aan een betere, andere wereld. Altijd maar beter zijn met jezelf verbeteren draagt bij aan het behoud van de status quo. Ook daarin heeft het neoliberale kapitalisme het goed voor elkaar.

Nou, die zat. Ik las het boek vlak voor de triathlon van Klazienaveen, en op één moment in het parc fermé voor de start keek ik om me heen en dacht ik: ‘en wat als al deze mensen nou eens deze dag niet aan een triathlon hadden besteed, maar aan het werken aan een betere wereld?’ Ik had op dat moment acuut kunnen stoppen met sporten.

Ik ben gewoon van start gegaan, en heb met plezier en toewijding gesport. Maar de vraag heeft me sindsdien niet meer losgelaten. Hoe verhoudt sport als levenskunst zich tot de wens of zelfs noodzaak de wereld te verbeteren? Donner heeft het daar niet rechtstreeks over, ik heb er zelf over doorgedacht.

De wereld verbeteren

Die noodzaak tot het veranderen van de wereld is er, volgens mij: ik maak me zorgen over de klimaatcrisis en over de toenemende ongelijkheid tussen de ‘have’s’ en de ‘have not’s’ die tot zo veel polarisatie leidt. Aan de klimaatcrisis draagt mijn sporten rechtstreeks bij: wij gebruiken onze auto bijna alleen maar om naar sportevenementen te gaan; ik vlieg regelmatig om ergens anders te gaan fietsen, van een weekje Portugal of Mallorca tot de halve wereld over; onze volgende plannen betreffen Azië.

Maar de oplossing is niet simpel. Stoppen met sporten? Nee, dat is ‘m zeker niet. Om minstens drie redenen.

In de eerste plaats, dat heb ik hier ook al vaker geschreven: ik heb sporten nodig voor zowel mijn lijf als mijn hoofd. Dat je dingen ‘moet’ doen om je staande te houden in de wereld en mee te doen in de maatschappij, dat erkent Donner ook. Als ik niet zou sporten, zou ik bovendien onhebbelijker zijn, m’n frustratie eerder uiten richting andere mensen. Ook dat kan niet de bedoeling zijn, en het verbetert zeker de wereld niet. Op die wereld heb ik maar weinig grip. Heel veel tijd stoppen in het verbeteren ervan zou daarom tot machteloze frustratie leiden – niet te harden.

Ten tweede: zelf ineens heel erg goed je best moeten doen om maar, bijvoorbeeld, klimaatbewust te leven is precies diezelfde valkuil: het moet altijd beter, je kunt altijd meer doen, en als je dat niet doet, ligt het aan je jezelf. Het neoliberale dogma, maar dan in een alternatieve vorm.

Als we allemaal diep gebukt gaan onder vliegschaamte, hoeven de RyanAirs en de KLM’s van deze wereld niet te veranderen, hoeft ook de regelgeving op vlieggebied niet te veranderen. Dan laden we op onze eigen schouders wat in een groter verband niet klopt.

Ten derde: ik vind sporten leuk, ik kan er enorm van genieten. Het boek heeft als ondertitel ‘waarom we meer moeten stinken, drinken, bloeden, branden en dansen’. Zo heel letterlijk bedoelt Donner dat niet, net zoals ze ook heus niet vindt dat we onszelf moeten verwoesten. Ze bedoelt wel dat er aan dingen simpelweg voor de lol of zomaar doen, niks mis is. Niet alles hoeft een verbeterproject te zijn. Ook werken aan een betere wereld niet, dat kan ook weer ‘moeten’ worden.

Doe nou eens gewoon niks moeten, dat is Donners zelfverwoesting. Wees eens níet streng voor jezelf. Faal, wijk af, wees ongezond en lelijk – en ondermijn daarmee dat harde systeem. In plaats van je er dienstbaar aan te maken.

Dus er is niks mis met sporten, zo lang dat maar niet helemaal in het licht komt te staan van altijd maar beter, sneller, verder, sterker, gezonder, slanker, toffer, mooier, enzovoort.

Begrensd sporten

Oftewel: er is niks mis met sporten, zo lang je maat houdt. Dat voegt dit boek toe aan hoe ik sport als levenskunst zie: er is een noodzaak tot begrenzing, tot goed genoeg zijn. Het moet niet altijd meer zijn.

Dat zit hem er vooral in dat je bij het bepalen van je doelen de afweging maakt: als ik dit doe, ten koste van wat gaat dat dan, en is dat het me waard? Hoe wil ik leven?

Voor mij is dat in helder geworden door dat jaar van m’n hele triathlon. Dat was gaaf, maar er moest zo veel voor wijken dat ik het niet voor herhaling vatbaar vond. Ik wil een leven met plek voor weekendjes wandelen met vriendinnen, voor bloedgeven als donor en voor Buitenkunst – dat waren concrete voorbeelden van dingen die ik dat jaar niet kon doen.

Ik denk dat ik in staat zou zijn om een hele triathlon te volbrengen in minder tijd dan de 15u18 van 28 augustus 2016. Dat kriebelt af en toe, en dat heeft het bij vlagen zelfs best sterk gedaan. Zal ik nog een keer? Maar nee, de prijs die ik daarvoor moet betalen is me te hoog: mijn leven wordt dan te eenzijdig.

Want dat is verstopt onder ‘better never stops’: dat elke keuze voor meer en beter ook ten koste gaan van iets anders. Ik volg een paar sportgerelateerde accounts op Twitter en als ik zie hoe veel tips voor beter trainen, eten en herstellen daar passeren in een week… dat trekt allemaal, maar ik zou een dagtaak hebben aan ze allemaal uitvoeren.

Er kan een heleboel, maar moet het ook? Nee dus. Het kan zelfs niet, en dat is een belangrijk besef.

Begrenzing geldt in het bijzonder ook voor materiaal, want daarin komt dat neoliberale kapitalisme helemaal tot uitdrukking natuurlijk: je materiaal kan ook altijd nog beter, en dan word je sneller. Je kunt je, zeker in de triathlonsport, helemaal arm kopen en zo grote bedrijven rijk maken.

En ja, dat levert wat op. Ik heb bijvoorbeeld zelf nagedacht over andere wielen. Ik rijd op de doodgewone wielen die bij mijn fiets geleverd werden. Daarmee ben ik bij langere wedstrijden een uitzondering: met hoge velgen of zelfs een dicht achterwiel zou ik sneller kunnen zijn. Maar dan hebben we het over honderden euro’s. Ik trek daar een grens: dat vind ik het niet waard.

Het gaat om het trekken van zulke grenzen. Waar ze precies liggen, daarin zullen mensen van elkaar verschillen. Eén van de overwegingen kan zijn of je tijd en aandacht vrij wil maken om je in te zetten voor een betere wereld. Dat ‘moet’ niet, maar het is wel de overweging waard. Ik ben daar nog niet uit trouwens. Ik doe wel wat dingen, maar is het genoeg? En wat zou een volgende stap kunnen zijn? Ik heb geen idee.

Een andere overweging is dat er voldoende ruimte in je leven over moet blijven om te ‘stinken, drinken, bloeden, branden en dansen’ – in Donners woorden. Dus niet alleen maar strak in de presteer- en verbeterdiscipline, maar ook rustig kunnen aanklooien en ‘slechte’ dingen doen – nouja, die zijn dus niet slecht.

Sport als levenskunst in het neoliberale kapitalistische tijdperk betekent dus ook: niet klakkeloos meegaan in het verder, sneller, meer en beter. Grenzen trekken, bezinnen, alleen en samen. Ook dat is sportkunstenaarschap.

* * *

Tot slot drie andere dingen die ik me voorneem om te ontkomen aan de ‘altijd beter/nooit goed genoeg’-drang:

  1. Voortdurend mijn vinger aan de pols: in hoeverre geniet ik van wat ik aan het doen ben met mijn sport? Is het goed puur omwille van zichzelf? Ik wist altijd al dat dat belangrijk was, maar in mijn prioriteitenlijst is het toch nog maar weer eens gestegen. Ik neem me ook opnieuw voor andere sporters juist daarnaar te vragen – in hoeverre heb je genoten? Dat is belangrijker dan de tijd of welk ander prestatie- of verbeterdoel dan ook.
  2. Vieren wat ik bereik. Mijn prestatie accepteren als zijnde het beste wat mijn lijf in die omstandigheden eruit weet te schudden – en dat is dus goed genoeg. Het hoeft niet altijd beter. Elke prestatie verdient onvoorwaardelijke aandacht. Dat neem ik me ook voor in contact met anderen: als iemand een halve marathon heeft gedaan, niet vragen wanneer de hele volgt, of een snellere. Gewoon blij zijn met die halve marathon. Of zelfs met een ‘mislukking’. Ik heb dit al in de praktijk gebracht in Klazienaveen: ja, ik wilde onder de 6 uur, en nee, dat  is niet gelukt, maar het was toch okee, want dat is wat mijn benen wilden, na die training en onder die omstandigheden.
  3. En ja, het sterker, wijzer, aardiger worden heeft ook nog altijd z’n plek. Zeker als je ‘aardiger’ oprekt tot ‘socialer’. Want levenskunst is niet per se alleen maar met jezelf bezig zijn. Je kunt wel degelijk met sporten een beter mens worden, en een beter mens betekent een betere wereld – in je eigen directe omgeving.

 

Sportbrein viel een beetje tegen

Volgende boek (hierna nog één, althans, als ik niet tussentijds wéér iets leuks lees): Het sportbrein. Mythes uit de sportpsychologie ontrafeld. Dat viel me een beetje tegen. Dat is natuurlijk altijd een kwestie van verwachtingen: op basis van de ondertitel had ik meer ‘debunking’ van mythes verwacht. Dat is echter maar af en toe een paginaatje. De rest is eigenlijk een algemene inleiding in de sportpsychologie en mentale training.

Over die mythes: dat is leuk, ik houd van het ontzenuwen van onwaarheden. Die pagina’s zijn dus ook de sterke kant van het boek. Het gaat om van die zaken als ‘Je moet steeds 100 % gefocust’ zijn – dat kan helemaal niet. Of ‘never change a winning team’. Jawel, want anders dreigt het op je lauweren rusten of de wet van de remmende voorsprong. Enzovoort.

Over de rest, dus het meer algemene gedeelte: dat is denk ik interessant voor beginners in de sportpsychologie en de mentale training. Ik wist het eigenlijk allemaal al. En ik vind Focus veel beter. Vooral omdat dat boek een duidelijke invalshoek kiest en die uitwerkt. Het Sportbrein doet van alles een beetje, en ik ben bang dat het daardoor ook weinig praktisch is.

Het ‘ergste’ voorbeeld van de vluchtigheid is de bespreking van de Wave Work Roles. Dat  zijn acht rollen, maar ‘om de leesbaarheid niet in het gedrang te brengen’ (p. 44) staan er maar drie beschreven. Huh? Die drie rollen staan elk op één pagina met een plaatje erbij. Mij lijkt dat je ze makkelijk alle acht zo zou kunnen beschrijven. Een lezer voor wie dat te ver gaat, bladert er zo doorheen.

Maar goed. Lezers helpen, dat is mijn andere vak.

 

Twee lekkere leesboeken

Nog even door met m’n leesverslagen. Ik heb twee lekkere leesboeken gelezen:

Lopen voor je leven, van Els Beerten. Eigenlijk een boek voor jongeren, maar ik vond het als 50+’er ook de moeite waard. Hooguit is de opbouw wat simpel: er is ‘iets’ ergs gebeurd in het leven van de hoofdpersoon, Noor, en daar krijg je gaandeweg zo hier en daar een hint over, en pas aan het eind wordt het uitgelegd. Dat is een nogal recht-toe-recht-ane spanningsboog, die overigens wel aanzet tot doorlezen.
Dat erge inspireert Noor tot hardlopen, ze blijkt een talent, en ze loopt al op haar achttiende een marathon. Het boek telt de kilometers van die marathon af, om en om met hoe ze de wedstrijd beleeft en terugblikken op haar leven, hoe ze tot daar gekomen is. Met dat erge dus, maar ook met hardlopen als manier om vrij te zijn. Noor is zeker een sportkunstenaar!

Life’s too short to go so f*cking slow. Lessons from an epic friendship that went the distance, van Susan Lacke. Een echt heus triathlonleesboek, dat was al even geleden! Deze hoofdpersoon, Susan zelf, is niet happy met haar leven en haar lijf als ze een Ironman-triatleet leert kennen. Deze inspireert haar, ze gaat ook sporten. Lopen gaat haar al gauw goed af; het blijft altijd grappig hoe knullig Amerikanen zijn op de fiets en ook eerste-triathlon-ervaringen zijn sappig. Ze schrijft zich al heel gauw in voor ook een hele Ironman, en die finishen lukt nog ook (enigszins jaloersmakend makkelijk….). Haar leven verbetert ondertussen aanzienlijk. Maar dan wordt die vriend ziek, en maakt ze voor het eerst mee dat ze bij een wedstrijd niet kan finishen.
Haar eigen verhaal is me misschien net iets te zondagskinderig, maar het verhaal over Carlos laat zien dat het leven niet maakbaar is. In het laatste gedeelte van het boek hield ik het dan ook niet droog. Het is erg lekker geschreven!