Welkom (sticky)

Cartoon van Ironman LouiseOp 28 augustus 2016 volbracht ik, op mijn 50e, de Ironman van Vichy. Als je meteen daarover wilt lezen: hier staat het verhaal van die dag. Ik begon bijna twee jaar ervoor met dit weblog om te vertellen over de weg erheen, die met de nodige ups en downs is verlopen

Sinds mijn Ironman schrijf ik hier verder over mijn eigen belevenissen, vrouwensport en trainingszaken – ik ben inmiddels trainingsbegeleider geworden. En ik triathlon nog steeds! Hoofddoelen voor 2019 zijn een halve triathlon in juli en het fiets-onderdeel van de hele van Almere als trio (september).

Wees welkom, neus lekker rond op dit weblog, ik heb geprobeerd het leuk én informatief te maken. Als je wilt reageren, doe dat – vind ik leuk!  

Mentale training in cirkels

Ik had al eens vaker gehoord over ‘cirkels’ als vorm van mentale training, en in Sportlab Sedoc, waar ik met plezier naar heb gekeken overigens, ging het er ook al over. Elke keer vond ik het vaag, zo van: ja, je moet je aandacht erbij houden, dûh, of je dat nou cirkel 1 noemt of niet.

Maar omdat het kennelijk toch belangrijk is, wilde ik er wel eens meer over weten, en zodoende heb ik het boek erover gekocht: Focus, beter presteren door cirkeltraining, van  Rico Schuijers. En dat bleek een goede zet, ik vond het een prima boek!

Het boek is sowieso al erg mooi vormgegeven, met veel fullcolour foto’s – en dat voor een schappelijke prijs! Leuk is ook dat het niet alleen over sport gaat, maar bijvoorbeeld ook over de politie, musici en in het bedrijfsleven – daar wordt ook gepresteerd immers.

En die cirkeltraining, daar zit veel meer in dan ik op grond van die korte kennismakinkjes had vermoed. Voor een deel zag ik dingen terug die ik ken uit andere benaderingen van mentale training en knikte ik vaak instemmend – het is gewoon ook een goed boek daarover. Maar voor een deel waren het ook nieuwe dingen, die ik nooit op deze manier op een rijtje had gezien.

Die instemming, die had ik bijvoorbeeld bij waar het erover gaat dat flow maar een tijdelijke staat van zijn is, korte en zeldzame momenten, niet iets wat heel lang kan duren. Je hoort dat wel eens, dat topsporters wekenlang ‘in een flow’  zijn, maar dat kan helemaal niet, of althans, dat is niet de oorspronkelijke betekenis van het begrip.

Een andere heldere uiteenzetting vond ik die over verschillende soorten aandacht: intern  (‘binnen’) versus extern (‘buiten’), en globaal (‘groot’) versus detailgericht (‘klein’). Dat geeft vier verschillende combinaties, en je hebt een voorkeur voor één van die combinaties. Ik herken mezelf bijvoorbeeld in groot-binnen: Analytisch, veel gedachten en gevoelens die als een film voorbij kunnen komen en waar ik onder stress in kan blijven steken.

Okee – maar nieuw was voor mij dat je dan dus tegen kunt sturen door bewust de tegenovergestelde combinatie te kiezen, in mijn geval dus klein-buiten. Dat is goed te onthouden, makkelijk uit te voeren en het werkt als een trein. Ik heb sinds ik het boek heb gelezen al een paar keer ‘gespeeld’ met bewust kijken naar de rode dingen in mijn omgeving, en ja, dat haalt me uit mijn hoofd. (Ineens snapte ik ook waarom lezen me ontspant: lezen is ook ‘buiten’ en de wereld van de lettertjes is klein.)

Dan die cirkels. Optimaal presteren doe je in de binnenste, cirkel 1. Daar heb je optimale focus op je taak. Hoe verder naar buiten, oplopend tot cirkel 6, hoe verder je bent afgeleid daarvan. In die buitenste cirkel ben je vooral bezig met de vraag ‘wat doe ik hier eigenlijk’ – haha, heel herkenbaar. Ook cirkel 3 is dat voor mij nogal: daarin laat je je afleiden door gedachten over hoe het ‘eigenlijk’ zou moeten zijn.  

De kunst is om jezelf zo veel mogelijk naar cirkel 1 toe te coachen. Daar heb je verschillende vaardigheden voor, waaronder dat richten van je aandacht. Voor mij geldt bijvoorbeeld dat die gedachten over hoe het zou moeten zijn en wat ik eigenlijk aan het doen ben, die verstikkende film in mijn hoofd kunnen worden. Mijn aandacht dan richten op ‘klein buiten’ kan me helpen om weer meer focus te krijgen. Ga ik ook tijdens een triathlon mee aan de slag!

Andere vaardigheden zijn onder andere visualisatie en gedachtentraining, waaronder acceptatie van nare gevoelens zoals bij de ACT (*knikt weer instemmend*). Die werken trouwens ook zonder die cirkels, maar omgekeerd niet: alleen de cirkels geeft misschien inzicht, maar maakt het niet praktisch. Vandaar die dûh-gedachten van mij eerder. Maar het boek gaat dus om veel meer. In het Nederlandse taalgebied ken ik over mentale training geen beter boek dan dit.

Helm met leesbril

Ik heb sinds een dikke maand een nieuwe helm, die als het goed is sneller is (en als het snelle fietsen bij de afgelopen twee triathlons aan de helm lag, dan doet-ie z’n werk heel goed!), en in twee opzichten comfortabeler: minder herrie van de wind aan mijn hoofd en een vizier.

Dat vizier vervangt als het ware de sportbril: het biedt bescherming tegen zon, regen, vliegjes, enzovoort. Zo kun je dus fietsen zonder sportbril, en hoef je tijdens het wisselen bij de triathlon ook niet apart een sportbril op te zetten – de helm moet toch, en dat gaat zo dus in één moeite door. Dat is ook weer één kostbaar ding minder dat niet kwijt of kapot mag raken. Komt nog bij dat zo’n helm met vizier niet makkelijk over een hoofd met bril past – soms helemaal niet, bij mij alleen als ik het vizier er pas opklik als de helm al op mijn hoofd staat. Allemaal gedoe dus, een bril, en fijn als het zonder kan. 

Maar – ik heb de sportbril niet alleen voor bescherming, ik heb hem ook om scherp te zien. Tijdens de triathlon draag ik contactlenzen en heb ik vooral een bril nodig om de kleine getallen van mijn sporthorloge te kunnen aflezen. Ik heb van die typische 45+-ogen: ik kan met m’n lenzen niet zonder leesbril; in het dagelijks leven draag ik een varifocusbril.

Dus, vraag van een paar weken terug: kan er iets met dat vizier zodat ik er wél mee kan lezen? In mijn sportbril heeft de plaatselijke opticien, Moerkerken, een soort lees-plakkertjes geplakt, en dat hielp. Met deze specifiekere vraag ben ik naar een echte sportbrillendeskundige gegaan: Maarten de Kruif, van Kijk@deKruif in Reeuwijk. Maarten heeft vroeger bij Moerkerken gewerkt, zo hebben we hem leren kennen; hij heeft ons, en vooral manlief met z’n veel slechtere ogen dan de mijne, in de afgelopen jaren al regelmatig goed geholpen. 

Maarten ging op onderzoek uit. Het is namelijk niet de simpelste vraag, want de afstand tussen oog en vizier is anders dan die tussen oog en bril. Hij bedacht iets, ik ben langs gefietst om te puzzelen en te meten, en later om de bestelling op te halen. Die bestond uit een soort plakplaatje dat werkt als een vergrootglas, in twee helften geknipt, en op precies de goede plek op het vizier geplakt. En betaalbaar: € 75, veel minder dan voor een bril.

Als je in het vizier kijkt, zie je ze zitten:

Vizier met leesdeelMaar van voren of op de fiets zie je er niets van:

Het doet zijn werk prima: als ik fiets, kijk ik eroverheen en merk ik er niks van. Als ik mijn horloge wil aflezen, dan kijk ik naar beneden en zie ik ook dat scherp.

Enige wat even raar was, was dat het dus nogal vergroot, waardoor mijn armen ook heel groot lijken en mijn aerostuur dichtbij. Maar dat wende heel gauw. Ook als ik de helm opheb terwijl ik ermee rondloop is het gek, maar dat hoeft natuurlijk bijna nooit.

 Afgelopen week heb ik ook nog ondervonden dat het zelfs goed gaat als ik in plaats van mijn lenzen mijn gewone bril eronder draag, die varifocus dus. Dan is het door die leesdelen nóg groter en iets minder scherp, maar nog steeds prima leesbaar en ook geen hinder bij het fietsen zelf. 

Dus, blij mee, met Maartens oplossing: zo heb je dus een helm met vizier voor 45+-oogjes! 

(En oja, ik show hierboven ook even het gloednieuwe Sportkunstenaar-fietsshirt. Mooi hè?)

Sportkunstenaar op het Goed Bezig Festival

Op het Goed Bezig Festival op 22 juni in Overschie ga ik namens Sportkunstenaar drie dingen doen:

  • Wandeling begeleiden door de oude dorpskern van Overschie naar het nieuwe eiland dat door de bochtafsnijding is ontstaan, ongeveer 4,5 km..
  • Workshop geven ‘Sporten in de overgang’ – een try-out daarvan, ik ben erg benieuwd naar de reacties
  • Workshop ‘Maak je eigen trainingsschema’ – die is al beproefd, dus die doe ik graag opnieuw, voor hardlopers en fietsers. 

Daarnaast is er nog een boel meer te beleven. Het artikel (Havenloods, 1 mei) en de flyer (klik erop om te vergroten) geven een indruk! 

 

Het seizoen is lekker op dreef!

Afgelopen zaterdag meteen mijn tweede triathlon: de Brouwersdam90, een nieuwe voor mijn collectie afstanden, nummer 12: 1 km zwemmen, 79 fietsen, 10 lopen – al kwam ik in totaal uit op meer dan 92 kilometer.

Dit was een ‘serieuzere’ wedstrijd dan vorige week in voorbereiding op de belangrijkere doelen van dit seizoen. Althans, dat had ik van tevoren bedacht, dichterbij heb ik zelfs nog getwijfeld of ik wel zou starten, vanwege de watertemperatuur. Dat kwam net goed, ik heb vorige week twee keer buiten gezwommen, dat viel mee, en de temperatuur in de Grevelingen naderde de cruciale 15 graden. Vooruit dan maar.

Daar kwam nog bij dat ik aan Ter Huh een beetje stijve rug had overgehouden, die niet beter werd van eerst een middag fietsen (was als relaxte herstel- en bijkletstraining met Jo bedoeld, maar daarvoor was eigenlijk het te koud en winderig – wat is er toch met deze mei-maand?) en de dag erna urenlang intensief achter de computer zitten schrijven en later in de week nog wat stress. Wat bewegen, massage en een dagje sauna vrijdag verbeterden het wel weer, maar het was nog niet helemaal over en trok iets naar mijn hamstrings.

De wekker ging zaterdagochtend al om 6 uur en in m’n beweging om ‘m uit te zetten schoot er kramp in m’n ene hamstring – heb ik anders nooit, niet zo’n goed begin van de dag. Toen gingen manlief en ik onderweg en net toen we de dam opreden, ging het regenen en daalde de temperatuur naar dik onder de 10 graden. Ojee – daar had ik de kleren niet voor bij me (ik herhaal: wat is er toch met deze mei-maand?). 

Het is blijven regenen totdat we het water in gingen, dus dat was voorbereiding in een koud, nat en naargeestig parc fermé. Ze voorspelden ook nog meer regen, dus ik zag de bui (letterlijk en figuurlijk) al hangen: dat ging me veel te koud worden. Ik kon gelukkig nog mouwstukken lenen (bedankt, startnummer 827!), maar ben van de narigheid een paar dingetjes vergeten, waarvan één belangrijk: mijn sokken klaarleggen. Ik ben nog aan het wennen aan de nieuwe inlegzolen, gaat prima en bevalt goed, maar het is wat blaargevoelig bij hardlopen, en ik kan dat dus nog niet zonder sokken.

Ik moest ook heel veel moed verzamelen om al koud en nat ook nog water van 14,7 graad in te stappen, maar dat ging uiteindelijk wel, viel mee, nouja, alleen een beetje koude handen.

En… kwallen – oeps! ik heb best een kwallenfobie overgehouden aan wat nare ervaringen in mijn jeugd aan de Westerschelde, dus toen ik ze in beeld kreeg moest ik wel even op mezelf inpraten! Gelukkig zaten ze vrij diep en waren het kleine, witte, die zijn niet zo erg. Maar toch.

Het zwemmen leek lang te duren, maar uiteindelijk was het toch best goed gegaan, bleek uit mijn tijd: dik 22 minuten is sowiewso okee onder die omstandigheden, en misschien zelfs snel als ik echt de 1100 meter heb gezwommen die m’n horloge aangaf – dan ben ik iets omgezwommen, wat zou kunnen. Ik hield er opluchting dat het erop zat aan over, en een superstoer gevoel: kwallenangst overwonnen en m’n koudst-water-triathlon ooit! 

Dizzy uit het water (de kou), flink eind lopen en meteen maar door de zure appel heen gebeten en m’n tas in gedoken op zoek naar mijn sokken, onderin in een hoekje van mijn tas natuurlijk, onder alle natte zooi. Shirt aan, mouwstukken aan – de traagste wissel ooit. Nouja, niks aan te doen. Het heeft me mogelijk twee plekken in de klassering gekost, maarja.

Op de fiets duurde het ook even voordat ik lekker reed, maar daarna ging het ook wel goed. Ik wilde mijn hartslag begrenzen bij 145 en rond de 140 rijden, dat lukte niet helemaal, hij lag nog iets lager. Experiment was hoe hard ik daarbij kon rijden en welk vermogen. Ik hoopte op 30 gemiddeld, dat zou veel bevestiging geven voor de grotere doelen. Vermogen kon ik zien en dat zag er goed uit. Snelheid, geen idee, daar kijk ik onderweg niet naar, maar het voelde wel okee. 

Heel makkelijk fietsen was het niet. Eten en drinken kosten me veel aandacht omdat het lang geleden was dat ik zo’n lange afstand deed, en ook wel omdat er geen verzorging was tijdens het fietsen (en daarbuiten ook minimaal – wat mij betreft het belangrijkste verbeterpunt voor de organisatie). Het parcours was hier en daar technisch, het was druk, er stonden er veel met pech langs de kant en er waren ook nare valpartijen, en er werd veel gestayerd: ik heb hele pelotons en kop-over-kop-duo’s voorbij zien trekken. Ik was behoorlijk aan het stuivertje wisselen met een paar anderen, en het niet-stayeren heeft me ook best veel aandacht gekost.

Werd ik in m’n 3e rondje nogalliefst  ‘teruggefloten’ door de jury toen ik aan het inhalen was – moest ik m’n benen stilhouden en gingen ze me uitleggen dat ik afstand moest houden – ja, dahag! Nouja, ik heb het braaf gedaan, geen zin in straf, maar wel bijna met opgestoken middelvinger. De willekeur van de jurering… ik vind dat een van de lastige dingen van triathlon, moet ik zeggen. 

Met fietsshirt en geleende mouwstukken voldoet m’n outfit niet geheel aan de normen van de stijlpolitie, en de nieuwe helm past ook nog niet in mijn zelfbeeld, maar hij is wel heel lekker.

Wel vond ik het leuk. De zee zien, de weidsheid van de eilanden, altijd fijn. Het stuk buitenlangs de dijk voelde voor mij als een soort thuiswedstrijd, dat kan ik dromen omdat ik regelmatig van Vlissingen naar huis fiets daarover. Sowieso grappig om op één dag zes keer in Zeeland te komen (vier fiets- en twee looprondes), hahaha – ik ben twaalf keer de provinciegrens overgestoken!

Het bleef droog en werd zelfs steeds warmer en zonniger, hoera! Wel ook steeds iets meer wind, maar nog steeds wel heel weinig wind voor op die plek. Bij de doorkomsten ter hoogte van start en finish stond veel publiek, dat was wel leuk ook.

Tweede wissel traag door wc-bezoek, ik kon met de eindtijd niet meer zo zitten dus dan maar even netjes. Wel had ik snel gezien dat ik zo’n drie uur bezig was in totaal en een snelle rekensom was dat ik mijn gehoopte fietstijd vér had overtroffen. Ik heb 31,8 gemiddeld gereden. Weer zo’n huh – waar haal ik dit ineens vandaan? Veruit mijn snelste fietstijd ooit op een afstand langer dan de kwart. Wauw! 

Vervolgens sloeg bij het lopen toch de rug- en hamstringstijfheid toe, dus dat ging gewoon belabberd. Nouja, dat beschouw ik maar als gevalletje pech. Ik had erna flinke spierpijn in mijn hamstrings, dus dat had duidelijk echt niet veel sneller gekund. De ondergrond was ook nog eens flink bonkerig én er zat een steentje in m’n schoen, dat heeft ook nog even tijd gekost. 

Loop-actiefoto

Bij het keerpunt werd ik wel aangemoedigd door coachee Mirjam, die net haar eerste 1/8e triathlon had volbracht, dat vond ik erg leuk. Manlief kwam me in de tweede ronde voorbij, die was ook wel lekker bezig. Ik zag ook nog een paar andere bekenden (Linda, Olaf, Aart), altijd leuk.

Uiteindelijk finishte ik in 4 uur 10, dik tevreden met die tijd onder die omstandigheden, vooral blij met mijn fietsen en ook trots erop dat ik dat zwemmen had aangedurfd en doorstaan. Ik werd 8e van 15 D50+-vrouwen, en overall ook lang niet laatste – dat is bij zo’n langere afstand met van die fiets-kanonnen altijd maar afwachten, want dat is een relatief hoog niveau. Heel weinig vrouwen op die afstand trouwens, maar zo’n 15 %. 

Medaille

Het seizoen is lekker begonnen zo. Ik ben heel blij met de vorm die er zomaar ineens weer is – ik voel me verder ook al een tijdje gewoon goed, na maanden van gesukkel, erg fijn. Ik weet dat ik niet te hard moet hopen dat het zo blijft, maar een beetje doe ik dat toch heus wel. Nou weer een paar weken lekker trainen. Van plan dat iets bij te sturen: meer aandacht voor lopen, ten koste van fietsen. Dat waag ik er maar op, na dit geslaagde experiment.

 

De triathlon van Ter Huh

Ik ben zondag voor de derde keer gestart bij de triathlon van Ter Aar, en voor de derde keer dacht ik ‘huh’ toen ik de finishklok zag. 

In 2014 deed ik de kwart en dat ging zo snel dat ik het eerst echt niet kon geloven, en dat dat PR nog steeds staat, ondanks dat ik sindsdien op een snellere fiets ben gaan rijden. Twee jaar geleden deed ik de 1/8e en verbeterde ik mijn PR op die afstand ook al, zij het met maar een paar seconden, tot 1:19:48, en ik dacht toen zéker ‘huh’ want ik had net 5 kilometer lang lopen piepen en proesten van de hooikoorts-inspanningsastma en was sowieso helemaal niet in goede doen.

Die eerste twee ‘huh’s hadden allebei veel te maken met het razendsnelle parcours: zwemmen in een verwarmd zwembad (precieze afstand, rechte lijnen, en de temperatuur is aangenaam voor mijn gestel), maar een dikke 19 km fietsen en net geen 5 km lopen, dat fietsen veel recht-toe-recht-aan, en een kleine wisselzone. 

De derde huh, afgelopen zondag, was omdat ik bijna 4,5 minuut van dat PR van twee jaar geleden afsnoepte. Ik wist dat ik sneller zou kunnen zijn dan toen, op alle drie de onderdelen stond ik er beter voor eigenlijk, maar het is op het ogenblik bij mij steeds maar afwachten wat de vorm van de dag is.

Bij het zwemmen dacht ik nog: nou, niet zo goed dus. In 10’05 was ik 3 seconden sneller dan twee jaar terug, terwijl ik ondertussen een halve minuut sneller zou kunnen zijn, op een goede dag. Mogelijk heb ik in de eerste 100 meter veel energie verbruikt, want dat was een ware veldslag. We hadden weliswaar een startvolgorde afgesproken in de baan, waarbij ik als derde zou gaan, maar zodra we mochten starten ging iedereen tegelijk en ik moest knokken om me de kaas niet van het brood te laten eten. Uiteindelijk kwam ik uit het water precies op de plek die we vooraf verwacht hadden, maarja.

Probleemloze wissel, daarna fietsen en dat vind ik in Ter Huh, uh, Aar altijd fijn: het parcours ligt me goed en is zelfs nog even een ‘sentimental journey’ als het gaat over een stukje van de route die ooit de kortste weg was tussen manliefs huis in Numansdorp en het mijne in Amsterdam, voordat we gingen samenwonen. Ik haalde een boel anderen in (pacman spelen!), en zag aan hartslag (tegen omslagpunt) en vermogen (boven de 200) dat het wel goed ging, maar ik had geen idee van de tijd.

Wel merkte ik dat de omstandigheden uitstekend waren: weinig wind en wat er was, stond gunstig, en de temperatuur was ook precies goed. Het voelde ook lekker, ik zat in een soort tunnel en heb verder weinig gezien of gedacht. Gewoon gefietst, heerlijk. Achteraf bleek voor de tweede keer ooit met een gemiddelde van boven de 33 (33,3)! 

Weer een prima wissel, klok niet gezien, dus geen idee van mijn tijd. Bij het lopen moest mijn ademhaling even wat rustiger worden en dat bleef de beperkende factor, mijn benen deden het goed en ik liep het tempo dat ik hoopte te lopen (5’30). Tot mijn verrassing haalde ik er ook nog een paar in ook, dat is bij lopen voor mij wat minder gebruikelijk.  

En waar leidde dat dan toe? Nou, tot 1:15:21! Huh? Echt zó snel? Wél goede vorm van de dag dus. Ik voel me ook sinds een dikke week eindelijk weer helemaal fit en normaal, na vier maanden gehannes. En dan blijkt maar weer eens dat als ik maar gewoon doortrain, mijn vorm gewoon prima blijft. Helaas zijn de uitslagen wat weinig informatief, geen idee hoe ik het in mijn leeftijdsklasse gedaan heb bijvoorbeeld. 

Verder was het ook erg leuk – hoera, het seizoen is begonnen! Ter Huh is een kleinschalige, kneuterige triathlon, wat blijkt uit tamelijk geïmproviseerde bordjes bij de fietsenrekken in het parc fermé en een dito bord van de ‘straftent’:

Kartonnen bordjes, met de hand genummerdPenalty box op karton

Het was leuk om m’n boeltje weer eens gereed te maken en ondertussen wat te ouwehoeren in het parc fermé:

Fiets en spulletjes staan klaar

En het was gezellig: ik was samen met Nicole, die dankzij grote zwem-progressie haar eerste 1/8e finishte. Zij startte in een eerdere serie, dus ik kon haar zwemmen volgen, hier gaat ze, met rode badmuts en blauw pakje in de tweede baan van onder:

Zwemmers

Met al die gekleurde, heen en weer gaande bolletjes is het zwemmen sowieso leuk om naar te kijken. 

En zo waren we dus allebei blij in onze nieuwe shirts:

Samen onder de finishvlag

Twee jaar geleden heette mijn blogpost I ♥ Ter Aar. Ik zou deze I ♥♥♥♥♥Ter Aar kunnen noemen, maar ik weet iets beters: ik noem Ter Aar gewoon voortaan Ter Huh! 

Het seizoen dendert door

Een dikke maand geleden schreef ik over het begin van het triathlonseizoen. Nouja, het begin van de aanloop dan, want het seizoen zelf begint voor mij morgen, met de 1/8e triathlon van Ter Aar. Sinds die vorige post heb ik weer een boel leuke dingen gedaan. Hier een paar highlights daaruit en een klein vooruitblikje naar de échte start.

Op 20 april deed ik samen met manlief mee aan een tijdrit in Almere. Ik had geen heel beste dag en vond het parcours tegenvallen qua zwaarte en snelheid, desalniettemin was het erg leuk om te doen, mede dankzij prachtig weer, én ik versloeg hem. Er werden bovendien prachtige foto’s gemaakt:

Strakke horizon, gele bloemen, roze shirt

 

Ik vond wel dat zo’n tijdrit een beetje voor freaks is: het niveau ligt heel hoog, je ziet allemaal peperduur materiaal, en deelnemers die zich bijvoorbeeld warmrijden op een meegebrachte Tacx. Dat is wel jammer, ik houd meer van de kneuterige evenementen en ik vind het vooral bezwaarlijk als je eigenlijk alleen maar met goed fatsoen mee kunt doen als je kapitaalkrachtig bent. 

Paashaas in het clubgebouw

Qua kneuterigheid kwam ik twee dagen later,  Paasmaandag, aan mijn trekken toen ik samen met Nicole ben gaan lopen in Leiden, de PPC-loop. Dat is een kleinschalig, informeel loopje met een mooie route, slingerend door een park. Dit keer was het aan haar om een slechte dag te hebben: ik zou haar (Paas-)hazen op 6’/km maar dat hield ze niet vol. Ik vond het zelf ook warm en kon voelen dat er veel pollen in de lucht waren en mogelijk ook rotzooi van de paasvuren. Maar ik had er zelf geen last van – en Nicole naderhand ook niet meer, zoals te zien is op de foto hieronder.

Nicole en ik in het roze

Ik heb gezwommen in Leiden en Amstelveen, omdat dat zo uitkwam met werk, en toen ik juist een keer even géén werk had, ben ik meegegaan met Henks Delftse ‘pensionado-groep‘ – hij fietst daar vaker mee op z’n vrije woensdag. 

Pauze met de pensionado’s, in Brielle

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Op Bevrijdingsdag heb ik samen met manlief de 8HW-cyclo gereden, een toertocht door de Hoeksche Waard die ik al eerder gedaan had ook. De hele tocht was net een Strava-segment geworden, en dat leverde me zowaar een QOM op waar ik trots op ben: ik was van de vrouwen die de hele tocht gereden hebben die dag de snelste. Nouja, dat waren er maar vier, en ik reed lekker in manliefs wiel, maar toch. 

Onze fietsen met 8HW-stuurbordjes

Voor de Strava’ers nog even: ik had de afgelopen tijd ook nog tijdelijk twee andere kroontjes: op het gloednieuwe eiland dat is ontstaan door de bochtafsnijding van de Schie bij ons achter (Henk had het segment aangemaakt; ik ben de snelste tijd al snel kwijtgespeeld aan de buurvrouw) en op de nieuwe oprit van de Botlekbrug, die eindelijk weer open is voor fietsers, zodat ik m’n geliefde route naar de punt van de landtong van Rozenburg weer kan fietsen zonder omrijden via Spijkenisse. Dat segment was zelfs pas aangemaakt nadat ik ‘m had gefietst (ofzoiets), want ik werd me van de QOM pas bewust nadat ik hem de dag erna al kwijtraakte – en zo hoort het ook; de drie QOM’s die ik al langer heb vind ik maar raar, gezien mijn leeftijd en niveau.

Dat er bij de 8HW-cyclo maar zo weinig vrouwen de hele route reden, dat lag vast ook aan iets wat al weken in de weg zit: het slechte weer. We kregen die dag maar één buitje over ons heen en zijn de hagel misgelopen, maar we reden wel met winterkleren en handschoenen aan en tegen de wind in was het buffelen. Zo is het al veel onaangenaam en behelpen geweest, en één ding heb ik nadrukkelijk nog niet gedaan: in open water zwemmen. Het is me nog steeds te koud en inmiddels heb ik een hard hoofd in de kilometer die ik over een dikke week in de Grevelingen zou moeten zwemmen. 

Daarom kijk ik extra uit naar morgen: volgende week zie ik nog wel, maar morgen ga ik zwemmen in het zwembad, en daarna lekker knallen op die korte afstand. De temperatuur is okee, al voorspellen ze wel wat regen. Ter Aar is al beide eerdere keren goed geweest voor een PR. Dat van twee jaar geleden op de 1/8e, gaat dat eraan zondag?  Het zou kunnen: ik heb beter en meer getraind dan toen en ik was toen niet eens helemaal fit. Maar ik weet ook dat mijn prestatieniveau erg fluctueert, ook de laatste tijd weer. Ik voel me op het ogenblik redelijk goed, na maandenlang gesukkel. Maar ik durf me niet rijk te rekenen. 

Belangrijkste doel voor zondag is plezier hebben. Ik ga samen met Nicole, het is ook echt bedoeld als gezelligheidstriathlon. En het geeft toch een beetje kriebels – het gaat beginnen! 

Taboe doorbreken (2): tampon-anekdote

Goed, ik zit dus op de taboe-doorbrekende toer, ik heb gister opgeroepen om taboes te doorbreken om van elkaars ervaringen te profiteren in plaats van door te sukkelen. Laat ik er dan nog maar eentje doen en een anekdote vertellen die ik toen het gebeurde heb weggecensureerd. Het was op de dag waarover ik hier een uitgebreide blogpost schreef: de zeer moeizame 1/3e triathlon van Oud Gastel in 2017

(Even terzijde: wat ik daar schreef, over het niet kunnen vinden van het gaspedaal en daardoor zwaar tegenvallende prestaties, dat is sindsdien zo ‘gewoon’ geworden dat ik er niet meer van opkijk. Mijn prestatieniveau fluctueert met minstens 10 anders onverklaarbare procenten. De laatste tijd zijn de dalen weer frequenter dan de uitschieters – mijn eigen hormonen laten zich tot nu toe nog niet afdoende reguleren door de pillen (zie hier). Ik vind het niet fijn, maar accepteer het gelatener dan toen. Alles went, dus het jaagt me geen angst meer aan. Wel moet ik nog wel eens aan die klok in Oud Gastel denken.)

Wat ik toen níet schreef, is het verhaal van het grootste stressmoment van die hele dag. Ik was op die dag ongesteld, en ik had uitgerekend dat ik aan het begin van het lopen een tampon moest verwisselen. Maar waar – geen dixi te bekennen langs het parcours.

Dan maar ergens de bosjes in – daar zit ik op zich niet zo mee, ik ben afgehard van al die jaren fietsen. Beetje discrete plek zoeken en verder zelf niet moeilijk over doen, dan kan het wel (al zou ik op het punt van makkelijk kunnen piesen wel een man willen zijn – die hebben aan een boom genoeg).

Ik haal eerst m’n oude tampon eruit, constateer dat dat echt tijd was ja, en pak dan pas de nieuwe. Ik haal ‘m uit z’n cellofaantje en PLOEF – hij ontploft. Hij was namelijk volgezogen met water – het regende, en hij had net de twee fiets-uren achterop m’n rug doorgebracht. Zeiknat. Zoiets:

Ontplofte tampon

 

Ik herkende het effect van wel eens een tampon aantreffen in een zak van kleren die net de was in zijn geweest. Het cellofaantje houdt ‘m dan nog in bedwang, maar eigenlijk is-ie onbruikbaar geworden. Want zo’n volgezogen tampon, die past niet meer.

Nouja, ik heb ‘m erin weten te frummelen, daar tussen die bosjes, maar dat kostte flinke tijd en moeite, en het zat bepaald niet lekker en dat heb ik geweten tijdens het lopen. Maar verder is alles goed gegaan, dus ik ben ‘netjes’ gefinisht, zonder dat het bloed langs mijn benen liep. 

Wat ik ervan geleerd heb is (1) tampons waterdicht verpakt meenemen en (2) eerst checken of de nieuwe wel okee is voor je de oude weghaalt. 

Maar daar had ik dus ook nooit iets over gelezen. En het verbaasde me eigenlijk dat dit me overkwam na al die fietsjaren. Is er nooit eerder een tampon natgeregend? Kennelijk. 

Nouja, wel wat van geleerd. En waarom is de drempel zo hoog om het hierover te hebben? Zelfs met vrouwen onder elkaar. Ik denk dat we van elkaars ervaringen nog veel meer zouden kunnen leren. Iemand tips?

 

Taboe doorbreken: extreme zadelpijn bij vrouwen

BrooksVandaag geef ik op de Vrouwenracefietsdag een workshop over blessures, kwalen en ongemakken die vrouwelijke fietsers treffen. In de voorbereiding daarvan realiseerde ik me dat sommige taboes rond vrouwenzaken nog erger zijn dan ik dacht.

Of nouja, taboe, het is een gebrek aan informatie, en ik denk dat daar een taboe aan ten grondslag ligt. En dat heeft consequenties, zo realiseerde ik me. Grote consequenties: ik schrok ervan.

De organisatoren van de Vrouwenracefietsdag attendeerden me namelijk op dit artikel. Daarin wordt verwezen naar de open brief van Hannah Dines en via haar Twitter vond ik nog zoiets van een Nederlandse fietster: persoonlijke verhalen over zadelpijn, bewonderenswaardig open. En schokkend dus.

ISMNatuurlijk, ik weet van zadelpijn. Maar dat het zó ver kon gaan, dat wist ik niet. Zadelpijn klinkt eigenlijk te onschuldig. Het zijn verhalen over schaamlippen met wonden, bulten van formaat golfbal, blaren, ontstekingen, omgekeerde acné (puistjes naar binnen), pus, lipomen, operaties, littekenweefsel, non-stop pijn, steeds erger worden de pijn, wringen en scheef zitten op het zadel en dus overal pijn – en een eindeloze zoektocht naar oplossingen. *oef*

Mij was de ernst van deze problematiek onbekend, ondanks dat ik mezelf al bijna 20 jaar goed informeer over vrouwen-fietszaken (voor mezelf, en lang voor dit blog schreef ik er ook al over, onder andere als Fietsvrouw-columniste). Ik heb er nooit uit eerste hand over gehoord, wat kan zijn omdat het vooral speelt in de top (diepere zit, meer uren in het zadel) en omdat ik er zelf amper over ben begonnen. Ik heb heel weinig zadelpijn; alles was altijd zó op te lossen met een ander zadel, voor het laatst voor de triathlonfiets (zie hier). Wat een geluk, denk ik nu. 

Selle ItaliaMaar ik heb er ook nog nooit ergens iets over gelezen, althans, niet over hoe veel vrouwen er last van hebben, hoe erg het kan zijn en hoe moeilijk op te lossen.

Als het al over zadelpijn gaat, gaat het over de basale dingen zoals een goed zadel en een goede fietsbroek. Vaak gaat het ook over het nut van vettigheid smeren. Maar dat kan ernstige drukproblemen niet oplossen, en bovendien werkt het voor sommige vrouwen averechts (voor mij, bijvoorbeeld: ik krijg er puisten van). Wat wel laat zien dat de oplossing heel persoonlijk is – dat is dus ook een hoofdlijn in mijn verhaal vandaag. Een goede bike-fitter kan daarbij helpen.

Selle SMPEen andere hoofdlijn is dat pijn niet normaal is en er niet bijhoort. Hannah Dines is zeker te lang doorgegaan met de pijn verbijten. Ze beschrijft de cultuur van dat doorbijten in die open brief. Maar daarnaast heeft het taboe haar parten gespeeld. Dines schrijft dat er sowieso niet over pijn wordt gepraat en al helemaal niet over de ede delen. Pijn hoort erbij, dacht ze –  het doet ‘daar’ wel vaker pijn. *schrik*

Saillant detail vind ik dat Dines wel ‘shorts, shoes, gloves’ kreeg toen ze bij de nationale selectie kwam, maar geen broekenvet. Wist zij veel.

Wat – in 2014 wist ze niet van het bestaan van broekenvet?

En ze heeft geen bike-fitting gedaan waarbij ook de zit op het zadel bekeken is? *shock*

Want echt, er zijn oplossingen. Maar daar moet je dan natuurlijk wel naar op zoek. En daarom is informatie belangrijk. Anders heb je geen idee waar je moet beginnen. En je moet zelf ook de hobbel durven te nemen natuurlijk om het met je bike-fitter over je schaamlippen te hebben. 

Vandaar: het taboe moet eraan! Hopelijk doen mijn workshop en deze post daartoe een duit in het zakje. Om met Dines’ hashtag te spreken: #vivelevulva! 

 

(De plaatjes bij dit topic zijn allemaal zadels waar sommige vrouwen baat bij hebben, maar dat is dus ook heel persoonlijk. Van boven naar beneden zijn de merken: Brooks, Cobb, ISM, Selle Italia, Selle SMP en – het fully adjustable – Bisaddle. Dat laatste is een tip van bike-fitter Jeroen van TriPro – het is in alle richtingen en dimensies aan te passen, zelfs verschillend per kant, dus asymmetrisch. Hij liet het me onlangs zien en het is echt iets heel anders dan andere zadels!)

 

Wáár aan de fiets met die elastiekjes?

Sinds vrijdag heb ik triathlon-fietsschoenen, een verjaarskado van manlief. Idee van die schoenen is dat je ze alvast aan je fiets vastklinkt, en ze dan in de goede positie houdt door ze met behulp van elastiekjes door de lus aan de achterkant aan je fiets vast te zetten – anders bungelen ze naar beneden en op de grond, en krijg je je voet er niet op.

Dat wist ik, en er zijn instructiefilmpjes te vinden – vooral deze Engelstalige duikt op, onder andere via de site van de Vrouwentriathlon. Op de filmpjes van deze site zie je hoe je dan vervolgens opspringt en ermee wegrijdt en dan je schoenen aantrekt, en als je aankomt dat in omgekeerde volgorde – ben ik mee aan het oefenen, is nog hele toer.

Wat me echter hoofdbrekens kostte en wat nergens zo heel duidelijk in beeld is, is waar je die elastiekjes dan aan vastmaakt. Uiteindelijk bood een oud onderwerp van het Triathlonforum uitkomst. Voor toekomstige zoekers naar antwoord op diezelfde vraag hier de foto’s die manlief maakte van mijn oplossing.

Het lukt alleen met het rechter pedaal naar voren:

Rechter pedaal naar voren

Zodat je dat pedaal kunt haken om iets van de voorderailleur, hier een boutje (hopelijk is het net goed genoeg te zien):

Rechterpedaal aan boutjeEn de linkerpedaal aan de handle van de snelspanner:

Linkerpedaal aan spanner

Vervolgens is het een kwestie van proberen of dat eerst goed genoeg blijft zitten en daarna netjes losspringt of afknapt – dat ging met deze opstelling bij mij prima:

Blote voet op rechterpedaal

Wel rechterpedaal eerst, daar moet ik op letten, en zo’n snelle opsprong zit er bij mij nog niet in. Maar de elastiekjes schieten netjes los en blijven aan die lus hangen, of ze vallen er helemaal vanaf. In elk geval geen problemen daarmee in derailleur of spaken.

Triathlonfietsschoenen zijn ervoor gemaakt dat je ze op de fiets aan kunt krijgen, vandaar dat de klittenbandflap ‘verkeerd om’ zit en de randen laag zijn, zodat je je voeten er wat makkelijker in kan wurmen. Toch is het nog best een beetje gepruts. Veel oefenen dus, en het loont alleen maar bij een lang stuk lopen met je fiets. Want dat lopen – op blote voeten – gaat makkelijker dan op schoenen met plaatjes eronder. Maar het ‘prutsen’ met je schoenen op de fiets kost natuurlijk ook wat fietstijd.

Speciaal met het oog op de blote voeten zijn de schoenen trouwens lekker zacht van binnen. 

Het oefenen ermee vind ik wel leuk – doe ik weer eens iets nieuws. En ik heb in een paar triathlons (waaronder m’n hele, dat was wel een paar honderd meter) het lange lopen op die plaatjes erg ongelukkig gevonden. Dus dit is hopelijk ook een verbetering.

 

Over inspiratie en polarisatie – rijke boekenoogst!

Ik heb weer lekker veel gelezen de laatste tijd. Drie boeken gingen niet echt óver sport, maar ze waren daar wel relevant voor en ze gaven me nieuwe ideeën voor het begeleiden van sporters, en eentje ging echt over triathlontraining. Eerst de drie inspirerende, met overlap in de thematiek:

  • Body positive power – een geweldig boek in de strijd tegen lichaamsontevredenheid, wat voor de (vrouwen-)sport relevant omdat veel vrouwen sporten uit zelfhaat en niet uit plezier of uit welwillende zorg voor hun lichaam. Ik leerde er een boel van, onder andere over de dieetmiddelenindustrie (om niet ‘-maffia’ te schrijven) en was af en toe geschokt ook. Het meest heftige voorbeeld vond ik dat de auteur na het overwinnen van zeer ernstige anorexia bij de huisarts komt en dat die dan zegt dat ‘er wel een kilootje af mag’. Grappig: in het hele boek staat maar één zin waar ik van ging fronsen, en dat is in het voorwoord: dat elke vrouw het boek gelezen zou moeten hebben, ‘of je nu zestien bent of vijfenveertig’. Uh? Vanwaar die bovengrens? 
  • Intimiteit – een scherpe maatschappijkritiek, over hoe binnen een paar decennia de norm voor een ‘goed’ leven is veranderd van brave, gematigde aangepastheid aan de burgerlijke, vaak kerkelijke moraal naar mateloos ‘scoren’: presteren, succes hebben, rijk worden, links oogsten – maar ook voldoen aan het schoonheidsideaal. Die druk én de mateloosheid maakt dat we in toenemende mate vervreemden van onszelf – van onze lichamen. Met onder andere epidemieën van burn-out en depressie als gevolg. Het is iets wat ik bij sport als levenskunst blijf benadrukken: het gaat niet om de prestatie alleen. Sport kan een manier zijn om weer ‘closer’ met je lichaam te worden, maar ook om er juist nog verder van te vervreemden.
  • The passion paradox – Stulberg en Magness houden niet op mij te inspireren! Hun vorige boek vond ik al een klapper en ik volg ze met grote interesse op Twitter en via hun  nieuwsbrief. Belangrijkste nieuwe bijdrage in dit boek is voor mij dat zij naast gezonde passie (kenmerk: waardegedreven en gecombineerd met zelfreflectie) een onderscheid maken in twee soorten ongezonde: gedreven door angst of door externe bevestiging (om te ‘scoren’ – ja, Intimiteit echo’de af en toe). Je kunt – bijvoorbeeld – hard fietsen in een training omdat je dat lekker vindt en je jezelf ermee verbetert (in principe gezond), maar ook omdat je bang bent dat je anders een ‘loser’ bent, of dik wordt, of straks niet meer de anderen mee kunt komen (angstgedreven) of omdat het je veel kudo’s oplevert op Strava (externe bevestiging). Nogal wiedes natuurlijk dat Sportkunstenaars gaan voor het eerste! En sporten hoeft zelfs niet echt een ‘passie’ te zijn – het gewoon leuk vinden is ook al prima. 

Cover 80/20 TriathlonDan het triathlontrainingsboek. Dat was 80/20 Triathlon, een tip van Gringo van het Triathlonforum toen ik het erover had dat er nog zo weinig boeken waren waarin gepolariseerd trainen centraal staat. In dit boek dus wel, en dat is meteen wat ik er supergoed aan vind. Ik ben al jaren fan van gepolariseerd trainen, dus zo’n boek moet er echt zijn.

Iets meer in detail vind ik het echter wel een boek met twee gezichten.  Het eerste, algemene gedeelte vind ik geweldig. Ik heb vooral het tweede hoofdstuk, ‘Going Slower to get Faster’ met veel plezier gelezen. Het gaat eerst over de ontdekking – in de praktijk – van gepolariseerd trainen: 80 % van de tijd rustige duur, 20 % hoog-intensieve intervallen, en dus niet, althans niet doelbewust, trainen in de middelste intensiteit. Daaruit blijf je weg; dat is de ‘moderate-intensity-rut’: weinig trainingsopbrengst voor een realtief hoog blessurerisico. 

Daarna gaat het hoofdstuk in op de obstakels: waarom willen best veel sporters er níet aan, aan dat gepolariseerde trainen? En hoe verwerp je die argumenten? Ik vond het een feest van herkenning, vooral daar waar het gaat om dat de gedachte dat harder altijd beter is, dat het ‘niet lekker voelt’ (rustig trainen moet net langzamer dan wat fijn is, en als je geen topper bent, is dat écht langzaam) en het ego dat in de weg staat: rustige duurtraining is niet stoer; soms voelt het alsof je ‘niks’ gedaan hebt.

In dat soort discussies vind ik mezelf ook regelmatig terug. Laatst nog, toen iemand zei dat het doel van sporten voor hem was ‘zo moe mogelijk worden’. Ik zei nog: dat kun je toch niet écht willen, dat wil je je lichaam toch niet aandoen, altijd maar de zweep erover – maar hij snapte niet waar ik het over had (ja, hier echoën die boeken van hierboven).

Het zette me aan het denken – er ontbreken nog twee obstakels die ik wel hoor:

  • Het gaat niet alleen om moeite met de rustige pool. Er zijn ook sporters met een hekel aan, angst voor of moeite met zo diep gaan als nodig is voor de intensieve. Diep genoeg gaan is lastig en pijnlijk; het is, om maar iets te noemen, niet vrouwelijk om je zo het snot voor ogen te intervallen, en best wel veel oudere sporters lopen rond met het idee dat een hoge hartslag slecht is voor hun hart.
  • Het gegeven dat je in de ‘moderate-intensity-rut’ de meeste calorieën verbrandt per tijdseenheid dat je traint: minder intensief is minder calorieën; intensiever is maar heel kort vol te houden. Het nut van calorieën tellen is wat mij betreft zeer relatief (zie bijvoorbeeld hier waarom) en nooit een doel op zich van sporten, en zeker niet van een losse training (jaag je jezelf over de kling, kun je even later helemáál geen ‘calorieën meer verbranden’ als je uitgeput, opgebrand of geblesseerd thuis zit) maar het speelt wel voor veel sporters! 

Dat zijn mogelijk obstakels die vooral voor een bepaald type sporters gelden, wat me wel doet vermoeden dat de ‘at all levels’ van die cover mogelijk toch een behoorlijke bias heeft naar de hogere niveaus – zoals overigens zo ongeveer álle trainingshandboeken.

Dan het andere gezicht. Wat ik jammer vind aan het boek is dat het in de meer toepassingsgerichte hoofdstukken rigide omgaat met de getallen. Misschien werkt dat voor topsporters, maar niet voor gewone stervelingen. 

Concreet voorbeeld van de rigiditeit vind ik de trainingszones voor het zwemmen. Er is een gebied van 2″ per 100 meter waar je uit moet blijven – dat is een halve seconde per baantje. Niet alleen is dat het verschil tussen goed of wat minder afzetten, ‘m technisch net niet helemaal goed raken of wel, of al dan niet een stoorzender in de baan hebben – maar alleen al het verschil in vorm van de dag is bij mij al meer dan één seconde per baantje. Ik kán niet alleen m’n 100 meters niet op 2 seconde nauwkeurig timen, het heeft ook geen zin. Op mijn niveau althans niet. En al helemaal niet – voor niemand – als de zones bepaald zijn op basis van zo’n ruwe momentopname als een veldtest.

De rigiditeit zit hem ook in de toepassing van de percentages. De 80/20-regel geldt voor bijna elke week en elk van de drie sporten. Dat heb ik nooit elders zo gezien. Ik weet niet beter of het gaat om totalen over een trainingsperiode, waarin je periodes van meer rustige duur kunt afwisselen met periodes met meer intensiteit. Dat is het verschil tussen basis- en aanscherptraining.

Daarbij komt ook nog dat het percentage intensief schommelt met de totale trainingsbelasting. Bij topsporters ligt het soms onder de 10 %, maar die maken zo veel uren dat 10 % intensief nog steeds veel en dus heel belastend is. Als je 20 uur in de week traint, komt 20 % intensief neer op 4 uur – ga er maar aan staan! Train je minder, dan mag het percentage omhoog – dat is het idee achter de Time-Crunched boeken (zoals deze), waarin dat ook wordt uitgelegd.

Sowieso heb je natuurlijk geen tellertje meelopen in je lichaam, dus het komt écht niet op de laatste precieze procent en seconde aan. Dat kweekt maar dwangmatig gedrag en heel erg bezig zijn met de getallen in plaats van, bijvoorbeeld, hoe je je voelt en of je wel geniet. Dat is mijn grootste bezwaar tegen het boek.

Tot slot geloof ik in geen enkele trainingsaanpak die als heilige graal wordt gepresenteerd. Daarvoor verschillen individuele sporters te veel van elkaar. Ja, ik ben fan van gepolariseerd trainen; ik train zelf zo, voor fietsen al jaren, voor hardlopen krijg ik het zo langzamerhand onder de knie, met zwemmen experimenteer ik nog. En ja, ik kan het anderen aanraden. Maar altijd wel eerst als experiment, niet als wetmatigheid.