Welkom (sticky)

Cartoon van Ironman LouiseOp 28 augustus 2016 volbracht ik, op mijn 50e, de Ironman van Vichy. Als je meteen daarover wilt lezen: hier staat het verhaal van die dag. Ik begon bijna twee jaar ervoor met dit weblog om te vertellen over de weg erheen, die met de nodige ups en downs is verlopen

Sinds mijn Ironman schrijf ik hier verder over mijn eigen belevenissen, vrouwensport en trainingszaken – ik ben inmiddels trainingsbegeleider geworden. En ik triathlon nog steeds! Hoofddoelen voor 2019 zijn een halve triathlon in juli en het fiets-onderdeel van de hele van Almere als trio (september).

Wees welkom, neus lekker rond op dit weblog, ik heb geprobeerd het leuk én informatief te maken. Als je wilt reageren, doe dat – vind ik leuk!  

De triathlon van Ter Huh

Ik ben zondag voor de derde keer gestart bij de triathlon van Ter Aar, en voor de derde keer dacht ik ‘huh’ toen ik de finishklok zag. 

In 2014 deed ik de kwart en dat ging zo snel dat ik het eerst echt niet kon geloven, en dat dat PR nog steeds staat, ondanks dat ik sindsdien op een snellere fiets ben gaan rijden. Twee jaar geleden deed ik de 1/8e en verbeterde ik mijn PR op die afstand ook al, zij het met maar een paar seconden, tot 1:19:48, en ik dacht toen zéker ‘huh’ want ik had net 5 kilometer lang lopen piepen en proesten van de hooikoorts-inspanningsastma en was sowieso helemaal niet in goede doen.

Die eerste twee ‘huh’s hadden allebei veel te maken met het razendsnelle parcours: zwemmen in een verwarmd zwembad (precieze afstand, rechte lijnen, en de temperatuur is aangenaam voor mijn gestel), maar een dikke 19 km fietsen en net geen 5 km lopen, dat fietsen veel recht-toe-recht-aan, en een kleine wisselzone. 

De derde huh, afgelopen zondag, was omdat ik bijna 4,5 minuut van dat PR van twee jaar geleden afsnoepte. Ik wist dat ik sneller zou kunnen zijn dan toen, op alle drie de onderdelen stond ik er beter voor eigenlijk, maar het is op het ogenblik bij mij steeds maar afwachten wat de vorm van de dag is.

Bij het zwemmen dacht ik nog: nou, niet zo goed dus. In 10’05 was ik 3 seconden sneller dan twee jaar terug, terwijl ik ondertussen een halve minuut sneller zou kunnen zijn, op een goede dag. Mogelijk heb ik in de eerste 100 meter veel energie verbruikt, want dat was een ware veldslag. We hadden weliswaar een startvolgorde afgesproken in de baan, waarbij ik als derde zou gaan, maar zodra we mochten starten ging iedereen tegelijk en ik moest knokken om me de kaas niet van het brood te laten eten. Uiteindelijk kwam ik uit het water precies op de plek die we vooraf verwacht hadden, maarja.

Probleemloze wissel, daarna fietsen en dat vind ik in Ter Huh, uh, Aar altijd fijn: het parcours ligt me goed en is zelfs nog even een ‘sentimental journey’ als het gaat over een stukje van de route die ooit de kortste weg was tussen manliefs huis in Numansdorp en het mijne in Amsterdam, voordat we gingen samenwonen. Ik haalde een boel anderen in (pacman spelen!), en zag aan hartslag (tegen omslagpunt) en vermogen (boven de 200) dat het wel goed ging, maar ik had geen idee van de tijd.

Wel merkte ik dat de omstandigheden uitstekend waren: weinig wind en wat er was, stond gunstig, en de temperatuur was ook precies goed. Het voelde ook lekker, ik zat in een soort tunnel en heb verder weinig gezien of gedacht. Gewoon gefietst, heerlijk. Achteraf bleek voor de tweede keer ooit met een gemiddelde van boven de 33 (33,3)! 

Weer een prima wissel, klok niet gezien, dus geen idee van mijn tijd. Bij het lopen moest mijn ademhaling even wat rustiger worden en dat bleef de beperkende factor, mijn benen deden het goed en ik liep het tempo dat ik hoopte te lopen (5’30). Tot mijn verrassing haalde ik er ook nog een paar in ook, dat is bij lopen voor mij wat minder gebruikelijk.  

En waar leidde dat dan toe? Nou, tot 1:15:21! Huh? Echt zó snel? Wél goede vorm van de dag dus. Ik voel me ook sinds een dikke week eindelijk weer helemaal fit en normaal, na vier maanden gehannes. En dan blijkt maar weer eens dat als ik maar gewoon doortrain, mijn vorm gewoon prima blijft. Helaas zijn de uitslagen wat weinig informatief, geen idee hoe ik het in mijn leeftijdsklasse gedaan heb bijvoorbeeld. 

Verder was het ook erg leuk – hoera, het seizoen is begonnen! Ter Huh is een kleinschalige, kneuterige triathlon, wat blijkt uit tamelijk geïmproviseerde bordjes bij de fietsenrekken in het parc fermé en een dito bord van de ‘straftent’:

Kartonnen bordjes, met de hand genummerdPenalty box op karton

Het was leuk om m’n boeltje weer eens gereed te maken en ondertussen wat te ouwehoeren in het parc fermé:

Fiets en spulletjes staan klaar

En het was gezellig: ik was samen met Nicole, die dankzij grote zwem-progressie haar eerste 1/8e finishte. Zij startte in een eerdere serie, dus ik kon haar zwemmen volgen, hier gaat ze, met rode badmuts en blauw pakje in de tweede baan van onder:

Zwemmers

Met al die gekleurde, heen en weer gaande bolletjes is het zwemmen sowieso leuk om naar te kijken. 

En zo waren we dus allebei blij in onze nieuwe shirts:

Samen onder de finishvlag

Twee jaar geleden heette mijn blogpost I ♥ Ter Aar. Ik zou deze I ♥♥♥♥♥Ter Aar kunnen noemen, maar ik weet iets beters: ik noem Ter Aar gewoon voortaan Ter Huh! 

Het seizoen dendert door

Een dikke maand geleden schreef ik over het begin van het triathlonseizoen. Nouja, het begin van de aanloop dan, want het seizoen zelf begint voor mij morgen, met de 1/8e triathlon van Ter Aar. Sinds die vorige post heb ik weer een boel leuke dingen gedaan. Hier een paar highlights daaruit en een klein vooruitblikje naar de échte start.

Op 20 april deed ik samen met manlief mee aan een tijdrit in Almere. Ik had geen heel beste dag en vond het parcours tegenvallen qua zwaarte en snelheid, desalniettemin was het erg leuk om te doen, mede dankzij prachtig weer, én ik versloeg hem. Er werden bovendien prachtige foto’s gemaakt:

Strakke horizon, gele bloemen, roze shirt

 

Ik vond wel dat zo’n tijdrit een beetje voor freaks is: het niveau ligt heel hoog, je ziet allemaal peperduur materiaal, en deelnemers die zich bijvoorbeeld warmrijden op een meegebrachte Tacx. Dat is wel jammer, ik houd meer van de kneuterige evenementen en ik vind het vooral bezwaarlijk als je eigenlijk alleen maar met goed fatsoen mee kunt doen als je kapitaalkrachtig bent. 

Paashaas in het clubgebouw

Qua kneuterigheid kwam ik twee dagen later,  Paasmaandag, aan mijn trekken toen ik samen met Nicole ben gaan lopen in Leiden, de PPC-loop. Dat is een kleinschalig, informeel loopje met een mooie route, slingerend door een park. Dit keer was het aan haar om een slechte dag te hebben: ik zou haar (Paas-)hazen op 6’/km maar dat hield ze niet vol. Ik vond het zelf ook warm en kon voelen dat er veel pollen in de lucht waren en mogelijk ook rotzooi van de paasvuren. Maar ik had er zelf geen last van – en Nicole naderhand ook niet meer, zoals te zien is op de foto hieronder.

Nicole en ik in het roze

Ik heb gezwommen in Leiden en Amstelveen, omdat dat zo uitkwam met werk, en toen ik juist een keer even géén werk had, ben ik meegegaan met Henks Delftse ‘pensionado-groep‘ – hij fietst daar vaker mee op z’n vrije woensdag. 

Pauze met de pensionado’s, in Brielle

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Op Bevrijdingsdag heb ik samen met manlief de 8HW-cyclo gereden, een toertocht door de Hoeksche Waard die ik al eerder gedaan had ook. De hele tocht was net een Strava-segment geworden, en dat leverde me zowaar een QOM op waar ik trots op ben: ik was van de vrouwen die de hele tocht gereden hebben die dag de snelste. Nouja, dat waren er maar vier, en ik reed lekker in manliefs wiel, maar toch. 

Onze fietsen met 8HW-stuurbordjes

Voor de Strava’ers nog even: ik had de afgelopen tijd ook nog tijdelijk twee andere kroontjes: op het gloednieuwe eiland dat is ontstaan door de bochtafsnijding van de Schie bij ons achter (Henk had het segment aangemaakt; ik ben de snelste tijd al snel kwijtgespeeld aan de buurvrouw) en op de nieuwe oprit van de Botlekbrug, die eindelijk weer open is voor fietsers, zodat ik m’n geliefde route naar de punt van de landtong van Rozenburg weer kan fietsen zonder omrijden via Spijkenisse. Dat segment was zelfs pas aangemaakt nadat ik ‘m had gefietst (ofzoiets), want ik werd me van de QOM pas bewust nadat ik hem de dag erna al kwijtraakte – en zo hoort het ook; de drie QOM’s die ik al langer heb vind ik maar raar, gezien mijn leeftijd en niveau.

Dat er bij de 8HW-cyclo maar zo weinig vrouwen de hele route reden, dat lag vast ook aan iets wat al weken in de weg zit: het slechte weer. We kregen die dag maar één buitje over ons heen en zijn de hagel misgelopen, maar we reden wel met winterkleren en handschoenen aan en tegen de wind in was het buffelen. Zo is het al veel onaangenaam en behelpen geweest, en één ding heb ik nadrukkelijk nog niet gedaan: in open water zwemmen. Het is me nog steeds te koud en inmiddels heb ik een hard hoofd in de kilometer die ik over een dikke week in de Grevelingen zou moeten zwemmen. 

Daarom kijk ik extra uit naar morgen: volgende week zie ik nog wel, maar morgen ga ik zwemmen in het zwembad, en daarna lekker knallen op die korte afstand. De temperatuur is okee, al voorspellen ze wel wat regen. Ter Aar is al beide eerdere keren goed geweest voor een PR. Dat van twee jaar geleden op de 1/8e, gaat dat eraan zondag?  Het zou kunnen: ik heb beter en meer getraind dan toen en ik was toen niet eens helemaal fit. Maar ik weet ook dat mijn prestatieniveau erg fluctueert, ook de laatste tijd weer. Ik voel me op het ogenblik redelijk goed, na maandenlang gesukkel. Maar ik durf me niet rijk te rekenen. 

Belangrijkste doel voor zondag is plezier hebben. Ik ga samen met Nicole, het is ook echt bedoeld als gezelligheidstriathlon. En het geeft toch een beetje kriebels – het gaat beginnen! 

Taboe doorbreken (2): tampon-anekdote

Goed, ik zit dus op de taboe-doorbrekende toer, ik heb gister opgeroepen om taboes te doorbreken om van elkaars ervaringen te profiteren in plaats van door te sukkelen. Laat ik er dan nog maar eentje doen en een anekdote vertellen die ik toen het gebeurde heb weggecensureerd. Het was op de dag waarover ik hier een uitgebreide blogpost schreef: de zeer moeizame 1/3e triathlon van Oud Gastel in 2017

(Even terzijde: wat ik daar schreef, over het niet kunnen vinden van het gaspedaal en daardoor zwaar tegenvallende prestaties, dat is sindsdien zo ‘gewoon’ geworden dat ik er niet meer van opkijk. Mijn prestatieniveau fluctueert met minstens 10 anders onverklaarbare procenten. De laatste tijd zijn de dalen weer frequenter dan de uitschieters – mijn eigen hormonen laten zich tot nu toe nog niet afdoende reguleren door de pillen (zie hier). Ik vind het niet fijn, maar accepteer het gelatener dan toen. Alles went, dus het jaagt me geen angst meer aan. Wel moet ik nog wel eens aan die klok in Oud Gastel denken.)

Wat ik toen níet schreef, is het verhaal van het grootste stressmoment van die hele dag. Ik was op die dag ongesteld, en ik had uitgerekend dat ik aan het begin van het lopen een tampon moest verwisselen. Maar waar – geen dixi te bekennen langs het parcours.

Dan maar ergens de bosjes in – daar zit ik op zich niet zo mee, ik ben afgehard van al die jaren fietsen. Beetje discrete plek zoeken en verder zelf niet moeilijk over doen, dan kan het wel (al zou ik op het punt van makkelijk kunnen piesen wel een man willen zijn – die hebben aan een boom genoeg).

Ik haal eerst m’n oude tampon eruit, constateer dat dat echt tijd was ja, en pak dan pas de nieuwe. Ik haal ‘m uit z’n cellofaantje en PLOEF – hij ontploft. Hij was namelijk volgezogen met water – het regende, en hij had net de twee fiets-uren achterop m’n rug doorgebracht. Zeiknat. Zoiets:

Ontplofte tampon

 

Ik herkende het effect van wel eens een tampon aantreffen in een zak van kleren die net de was in zijn geweest. Het cellofaantje houdt ‘m dan nog in bedwang, maar eigenlijk is-ie onbruikbaar geworden. Want zo’n volgezogen tampon, die past niet meer.

Nouja, ik heb ‘m erin weten te frummelen, daar tussen die bosjes, maar dat kostte flinke tijd en moeite, en het zat bepaald niet lekker en dat heb ik geweten tijdens het lopen. Maar verder is alles goed gegaan, dus ik ben ‘netjes’ gefinisht, zonder dat het bloed langs mijn benen liep. 

Wat ik ervan geleerd heb is (1) tampons waterdicht verpakt meenemen en (2) eerst checken of de nieuwe wel okee is voor je de oude weghaalt. 

Maar daar had ik dus ook nooit iets over gelezen. En het verbaasde me eigenlijk dat dit me overkwam na al die fietsjaren. Is er nooit eerder een tampon natgeregend? Kennelijk. 

Nouja, wel wat van geleerd. En waarom is de drempel zo hoog om het hierover te hebben? Zelfs met vrouwen onder elkaar. Ik denk dat we van elkaars ervaringen nog veel meer zouden kunnen leren. Iemand tips?

 

Taboe doorbreken: extreme zadelpijn bij vrouwen

BrooksVandaag geef ik op de Vrouwenracefietsdag een workshop over blessures, kwalen en ongemakken die vrouwelijke fietsers treffen. In de voorbereiding daarvan realiseerde ik me dat sommige taboes rond vrouwenzaken nog erger zijn dan ik dacht.

Of nouja, taboe, het is een gebrek aan informatie, en ik denk dat daar een taboe aan ten grondslag ligt. En dat heeft consequenties, zo realiseerde ik me. Grote consequenties: ik schrok ervan.

De organisatoren van de Vrouwenracefietsdag attendeerden me namelijk op dit artikel. Daarin wordt verwezen naar de open brief van Hannah Dines en via haar Twitter vond ik nog zoiets van een Nederlandse fietster: persoonlijke verhalen over zadelpijn, bewonderenswaardig open. En schokkend dus.

ISMNatuurlijk, ik weet van zadelpijn. Maar dat het zó ver kon gaan, dat wist ik niet. Zadelpijn klinkt eigenlijk te onschuldig. Het zijn verhalen over schaamlippen met wonden, bulten van formaat golfbal, blaren, ontstekingen, omgekeerde acné (puistjes naar binnen), pus, lipomen, operaties, littekenweefsel, non-stop pijn, steeds erger worden de pijn, wringen en scheef zitten op het zadel en dus overal pijn – en een eindeloze zoektocht naar oplossingen. *oef*

Mij was de ernst van deze problematiek onbekend, ondanks dat ik mezelf al bijna 20 jaar goed informeer over vrouwen-fietszaken (voor mezelf, en lang voor dit blog schreef ik er ook al over, onder andere als Fietsvrouw-columniste). Ik heb er nooit uit eerste hand over gehoord, wat kan zijn omdat het vooral speelt in de top (diepere zit, meer uren in het zadel) en omdat ik er zelf amper over ben begonnen. Ik heb heel weinig zadelpijn; alles was altijd zó op te lossen met een ander zadel, voor het laatst voor de triathlonfiets (zie hier). Wat een geluk, denk ik nu. 

Selle ItaliaMaar ik heb er ook nog nooit ergens iets over gelezen, althans, niet over hoe veel vrouwen er last van hebben, hoe erg het kan zijn en hoe moeilijk op te lossen.

Als het al over zadelpijn gaat, gaat het over de basale dingen zoals een goed zadel en een goede fietsbroek. Vaak gaat het ook over het nut van vettigheid smeren. Maar dat kan ernstige drukproblemen niet oplossen, en bovendien werkt het voor sommige vrouwen averechts (voor mij, bijvoorbeeld: ik krijg er puisten van). Wat wel laat zien dat de oplossing heel persoonlijk is – dat is dus ook een hoofdlijn in mijn verhaal vandaag. Een goede bike-fitter kan daarbij helpen.

Selle SMPEen andere hoofdlijn is dat pijn niet normaal is en er niet bijhoort. Hannah Dines is zeker te lang doorgegaan met de pijn verbijten. Ze beschrijft de cultuur van dat doorbijten in die open brief. Maar daarnaast heeft het taboe haar parten gespeeld. Dines schrijft dat er sowieso niet over pijn wordt gepraat en al helemaal niet over de ede delen. Pijn hoort erbij, dacht ze –  het doet ‘daar’ wel vaker pijn. *schrik*

Saillant detail vind ik dat Dines wel ‘shorts, shoes, gloves’ kreeg toen ze bij de nationale selectie kwam, maar geen broekenvet. Wist zij veel.

Wat – in 2014 wist ze niet van het bestaan van broekenvet?

En ze heeft geen bike-fitting gedaan waarbij ook de zit op het zadel bekeken is? *shock*

Want echt, er zijn oplossingen. Maar daar moet je dan natuurlijk wel naar op zoek. En daarom is informatie belangrijk. Anders heb je geen idee waar je moet beginnen. En je moet zelf ook de hobbel durven te nemen natuurlijk om het met je bike-fitter over je schaamlippen te hebben. 

Vandaar: het taboe moet eraan! Hopelijk doen mijn workshop en deze post daartoe een duit in het zakje. Om met Dines’ hashtag te spreken: #vivelevulva! 

 

(De plaatjes bij dit topic zijn allemaal zadels waar sommige vrouwen baat bij hebben, maar dat is dus ook heel persoonlijk. Van boven naar beneden zijn de merken: Brooks, Cobb, ISM, Selle Italia, Selle SMP en – het fully adjustable – Bisaddle. Dat laatste is een tip van bike-fitter Jeroen van TriPro – het is in alle richtingen en dimensies aan te passen, zelfs verschillend per kant, dus asymmetrisch. Hij liet het me onlangs zien en het is echt iets heel anders dan andere zadels!)

 

Wáár aan de fiets met die elastiekjes?

Sinds vrijdag heb ik triathlon-fietsschoenen, een verjaarskado van manlief. Idee van die schoenen is dat je ze alvast aan je fiets vastklinkt, en ze dan in de goede positie houdt door ze met behulp van elastiekjes door de lus aan de achterkant aan je fiets vast te zetten – anders bungelen ze naar beneden en op de grond, en krijg je je voet er niet op.

Dat wist ik, en er zijn instructiefilmpjes te vinden – vooral deze Engelstalige duikt op, onder andere via de site van de Vrouwentriathlon. Op de filmpjes van deze site zie je hoe je dan vervolgens opspringt en ermee wegrijdt en dan je schoenen aantrekt, en als je aankomt dat in omgekeerde volgorde – ben ik mee aan het oefenen, is nog hele toer.

Wat me echter hoofdbrekens kostte en wat nergens zo heel duidelijk in beeld is, is waar je die elastiekjes dan aan vastmaakt. Uiteindelijk bood een oud onderwerp van het Triathlonforum uitkomst. Voor toekomstige zoekers naar antwoord op diezelfde vraag hier de foto’s die manlief maakte van mijn oplossing.

Het lukt alleen met het rechter pedaal naar voren:

Rechter pedaal naar voren

Zodat je dat pedaal kunt haken om iets van de voorderailleur, hier een boutje (hopelijk is het net goed genoeg te zien):

Rechterpedaal aan boutjeEn de linkerpedaal aan de handle van de snelspanner:

Linkerpedaal aan spanner

Vervolgens is het een kwestie van proberen of dat eerst goed genoeg blijft zitten en daarna netjes losspringt of afknapt – dat ging met deze opstelling bij mij prima:

Blote voet op rechterpedaal

Wel rechterpedaal eerst, daar moet ik op letten, en zo’n snelle opsprong zit er bij mij nog niet in. Maar de elastiekjes schieten netjes los en blijven aan die lus hangen, of ze vallen er helemaal vanaf. In elk geval geen problemen daarmee in derailleur of spaken.

Triathlonfietsschoenen zijn ervoor gemaakt dat je ze op de fiets aan kunt krijgen, vandaar dat de klittenbandflap ‘verkeerd om’ zit en de randen laag zijn, zodat je je voeten er wat makkelijker in kan wurmen. Toch is het nog best een beetje gepruts. Veel oefenen dus, en het loont alleen maar bij een lang stuk lopen met je fiets. Want dat lopen – op blote voeten – gaat makkelijker dan op schoenen met plaatjes eronder. Maar het ‘prutsen’ met je schoenen op de fiets kost natuurlijk ook wat fietstijd.

Speciaal met het oog op de blote voeten zijn de schoenen trouwens lekker zacht van binnen. 

Het oefenen ermee vind ik wel leuk – doe ik weer eens iets nieuws. En ik heb in een paar triathlons (waaronder m’n hele, dat was wel een paar honderd meter) het lange lopen op die plaatjes erg ongelukkig gevonden. Dus dit is hopelijk ook een verbetering.

 

Over inspiratie en polarisatie – rijke boekenoogst!

Ik heb weer lekker veel gelezen de laatste tijd. Drie boeken gingen niet echt óver sport, maar ze waren daar wel relevant voor en ze gaven me nieuwe ideeën voor het begeleiden van sporters, en eentje ging echt over triathlontraining. Eerst de drie inspirerende, met overlap in de thematiek:

  • Body positive power – een geweldig boek in de strijd tegen lichaamsontevredenheid, wat voor de (vrouwen-)sport relevant omdat veel vrouwen sporten uit zelfhaat en niet uit plezier of uit welwillende zorg voor hun lichaam. Ik leerde er een boel van, onder andere over de dieetmiddelenindustrie (om niet ‘-maffia’ te schrijven) en was af en toe geschokt ook. Het meest heftige voorbeeld vond ik dat de auteur na het overwinnen van zeer ernstige anorexia bij de huisarts komt en dat die dan zegt dat ‘er wel een kilootje af mag’. Grappig: in het hele boek staat maar één zin waar ik van ging fronsen, en dat is in het voorwoord: dat elke vrouw het boek gelezen zou moeten hebben, ‘of je nu zestien bent of vijfenveertig’. Uh? Vanwaar die bovengrens? 
  • Intimiteit – een scherpe maatschappijkritiek, over hoe binnen een paar decennia de norm voor een ‘goed’ leven is veranderd van brave, gematigde aangepastheid aan de burgerlijke, vaak kerkelijke moraal naar mateloos ‘scoren’: presteren, succes hebben, rijk worden, links oogsten – maar ook voldoen aan het schoonheidsideaal. Die druk én de mateloosheid maakt dat we in toenemende mate vervreemden van onszelf – van onze lichamen. Met onder andere epidemieën van burn-out en depressie als gevolg. Het is iets wat ik bij sport als levenskunst blijf benadrukken: het gaat niet om de prestatie alleen. Sport kan een manier zijn om weer ‘closer’ met je lichaam te worden, maar ook om er juist nog verder van te vervreemden.
  • The passion paradox – Stulberg en Magness houden niet op mij te inspireren! Hun vorige boek vond ik al een klapper en ik volg ze met grote interesse op Twitter en via hun  nieuwsbrief. Belangrijkste nieuwe bijdrage in dit boek is voor mij dat zij naast gezonde passie (kenmerk: waardegedreven en gecombineerd met zelfreflectie) een onderscheid maken in twee soorten ongezonde: gedreven door angst of door externe bevestiging (om te ‘scoren’ – ja, Intimiteit echo’de af en toe). Je kunt – bijvoorbeeld – hard fietsen in een training omdat je dat lekker vindt en je jezelf ermee verbetert (in principe gezond), maar ook omdat je bang bent dat je anders een ‘loser’ bent, of dik wordt, of straks niet meer de anderen mee kunt komen (angstgedreven) of omdat het je veel kudo’s oplevert op Strava (externe bevestiging). Nogal wiedes natuurlijk dat Sportkunstenaars gaan voor het eerste! En sporten hoeft zelfs niet echt een ‘passie’ te zijn – het gewoon leuk vinden is ook al prima. 

Cover 80/20 TriathlonDan het triathlontrainingsboek. Dat was 80/20 Triathlon, een tip van Gringo van het Triathlonforum toen ik het erover had dat er nog zo weinig boeken waren waarin gepolariseerd trainen centraal staat. In dit boek dus wel, en dat is meteen wat ik er supergoed aan vind. Ik ben al jaren fan van gepolariseerd trainen, dus zo’n boek moet er echt zijn.

Iets meer in detail vind ik het echter wel een boek met twee gezichten.  Het eerste, algemene gedeelte vind ik geweldig. Ik heb vooral het tweede hoofdstuk, ‘Going Slower to get Faster’ met veel plezier gelezen. Het gaat eerst over de ontdekking – in de praktijk – van gepolariseerd trainen: 80 % van de tijd rustige duur, 20 % hoog-intensieve intervallen, en dus niet, althans niet doelbewust, trainen in de middelste intensiteit. Daaruit blijf je weg; dat is de ‘moderate-intensity-rut’: weinig trainingsopbrengst voor een realtief hoog blessurerisico. 

Daarna gaat het hoofdstuk in op de obstakels: waarom willen best veel sporters er níet aan, aan dat gepolariseerde trainen? En hoe verwerp je die argumenten? Ik vond het een feest van herkenning, vooral daar waar het gaat om dat de gedachte dat harder altijd beter is, dat het ‘niet lekker voelt’ (rustig trainen moet net langzamer dan wat fijn is, en als je geen topper bent, is dat écht langzaam) en het ego dat in de weg staat: rustige duurtraining is niet stoer; soms voelt het alsof je ‘niks’ gedaan hebt.

In dat soort discussies vind ik mezelf ook regelmatig terug. Laatst nog, toen iemand zei dat het doel van sporten voor hem was ‘zo moe mogelijk worden’. Ik zei nog: dat kun je toch niet écht willen, dat wil je je lichaam toch niet aandoen, altijd maar de zweep erover – maar hij snapte niet waar ik het over had (ja, hier echoën die boeken van hierboven).

Het zette me aan het denken – er ontbreken nog twee obstakels die ik wel hoor:

  • Het gaat niet alleen om moeite met de rustige pool. Er zijn ook sporters met een hekel aan, angst voor of moeite met zo diep gaan als nodig is voor de intensieve. Diep genoeg gaan is lastig en pijnlijk; het is, om maar iets te noemen, niet vrouwelijk om je zo het snot voor ogen te intervallen, en best wel veel oudere sporters lopen rond met het idee dat een hoge hartslag slecht is voor hun hart.
  • Het gegeven dat je in de ‘moderate-intensity-rut’ de meeste calorieën verbrandt per tijdseenheid dat je traint: minder intensief is minder calorieën; intensiever is maar heel kort vol te houden. Het nut van calorieën tellen is wat mij betreft zeer relatief (zie bijvoorbeeld hier waarom) en nooit een doel op zich van sporten, en zeker niet van een losse training (jaag je jezelf over de kling, kun je even later helemáál geen ‘calorieën meer verbranden’ als je uitgeput, opgebrand of geblesseerd thuis zit) maar het speelt wel voor veel sporters! 

Dat zijn mogelijk obstakels die vooral voor een bepaald type sporters gelden, wat me wel doet vermoeden dat de ‘at all levels’ van die cover mogelijk toch een behoorlijke bias heeft naar de hogere niveaus – zoals overigens zo ongeveer álle trainingshandboeken.

Dan het andere gezicht. Wat ik jammer vind aan het boek is dat het in de meer toepassingsgerichte hoofdstukken rigide omgaat met de getallen. Misschien werkt dat voor topsporters, maar niet voor gewone stervelingen. 

Concreet voorbeeld van de rigiditeit vind ik de trainingszones voor het zwemmen. Er is een gebied van 2″ per 100 meter waar je uit moet blijven – dat is een halve seconde per baantje. Niet alleen is dat het verschil tussen goed of wat minder afzetten, ‘m technisch net niet helemaal goed raken of wel, of al dan niet een stoorzender in de baan hebben – maar alleen al het verschil in vorm van de dag is bij mij al meer dan één seconde per baantje. Ik kán niet alleen m’n 100 meters niet op 2 seconde nauwkeurig timen, het heeft ook geen zin. Op mijn niveau althans niet. En al helemaal niet – voor niemand – als de zones bepaald zijn op basis van zo’n ruwe momentopname als een veldtest.

De rigiditeit zit hem ook in de toepassing van de percentages. De 80/20-regel geldt voor bijna elke week en elk van de drie sporten. Dat heb ik nooit elders zo gezien. Ik weet niet beter of het gaat om totalen over een trainingsperiode, waarin je periodes van meer rustige duur kunt afwisselen met periodes met meer intensiteit. Dat is het verschil tussen basis- en aanscherptraining.

Daarbij komt ook nog dat het percentage intensief schommelt met de totale trainingsbelasting. Bij topsporters ligt het soms onder de 10 %, maar die maken zo veel uren dat 10 % intensief nog steeds veel en dus heel belastend is. Als je 20 uur in de week traint, komt 20 % intensief neer op 4 uur – ga er maar aan staan! Train je minder, dan mag het percentage omhoog – dat is het idee achter de Time-Crunched boeken (zoals deze), waarin dat ook wordt uitgelegd.

Sowieso heb je natuurlijk geen tellertje meelopen in je lichaam, dus het komt écht niet op de laatste precieze procent en seconde aan. Dat kweekt maar dwangmatig gedrag en heel erg bezig zijn met de getallen in plaats van, bijvoorbeeld, hoe je je voelt en of je wel geniet. Dat is mijn grootste bezwaar tegen het boek.

Tot slot geloof ik in geen enkele trainingsaanpak die als heilige graal wordt gepresenteerd. Daarvoor verschillen individuele sporters te veel van elkaar. Ja, ik ben fan van gepolariseerd trainen; ik train zelf zo, voor fietsen al jaren, voor hardlopen krijg ik het zo langzamerhand onder de knie, met zwemmen experimenteer ik nog. En ja, ik kan het anderen aanraden. Maar altijd wel eerst als experiment, niet als wetmatigheid. 

Weer eens een hormonenverhaal

Ik ben hier de laatste maanden af en toe ‘gehint’ dat ik dusdanige verschijnselen had dat ik me naar de gynaecoloog had laten doorverwijzen. Daar ben ik woensdag geweest en dat was een opluchting, dus nu het verhaal. Omdat het óók over mijn sporten gaat, maar ook omdat ik het belangrijk blijf vinden om open te zijn over de overgang, al is het maar omdat er nog zo weinig informatie is over sporten in die jaren. 
 
Zo lang als ik dit blog schrijf, en nog langer zelfs, al 7,5 jaar, zijn mijn hormonen aan het ‘rommelen’. Meteen met de eerste subtiele veranderingen aan mijn cyclus ging ik slecht slapen, en dat was jarenlang mijn belangrijkste probleem, totdat een half jaar hormoonsuppletie dat in 2016 oploste. Sindsdien waren alleen de nukken en grillen van mijn cyclus een probleem, met onder andere grote vormdips (voorbeeld) en bijna-bloedarmoede tot gevolg, alsmede een boel praktische besognes.
 
Vorig jaar dacht ik dat de menopauze nabij was: ik voelde me anders, stabieler; ik was veel minder vaak én heftig ongesteld en ik kreeg voor het eerst opvliegers, een paar maanden lang – die overigens niet heel hinderlijk waren. Hèhè, dacht ik.
 
Maar dat was te vroeg gejuicht. Sinds eind januari heb ik een opeenvolging gehad van 5 weken PMS, toen een horror-menstruatie, meteen daarna weer 2,5 week PMS, toen nog een keer ongesteld, en sindsdien rommelt het wat door. Ik heb me 2,5 maand beroerd gevoeld van de zwaarte in lichaam en hoofd van de PMS of van het bloedverlies of van de buikpijn, of alles tegelijk. Ik vond het zwaar, de gewone dingen volhouden kostte veel wilskracht en ik heb enkele dingen afgezegd omdat dat volhouden me te veel werd. Het was ook praktisch vervelend – gelukkig zijn al te gênante situaties me ook dit keer bespaard gebleven, maar dat heeft me heel wat kopzorgen gekost. (Ik doorbreek graag het taboe op de overgang, maar er zijn wel grenzen.)  
 
Lastig allemaal, en bovendien had de huisarts in die periode een vleesboom bij me geconstateerd. Dat is op zich niet heel alarmerend en het was een verklaring voor die heftige menstruaties, maar het zat me toch niet lekker, en daarin speelt natuurlijk een rol dat mijn moeder aan baarmoederkanker is overleden. De kans dat ik dat zou hebben was heel klein, maar toch. In mijn somberste vlagen dacht ik natuurlijk wel aan kanker, of op z’n minst aan een buikoperatie.
 
Nou, de gynaecoloog afgelopen woensdag heeft me gerustgesteld: hij zag geen vleesboom (huh? Nouja, niet de eerste foute diagnose van m’n huisarts…) en verder ook niets verontrustends. Het enige wat er aan de hand is, zijn die ontregelde hormonen. En daarvoor heb ik, opnieuw dus, hormoonsuppletie gekregen. Net als drie jaar geleden ben ik daar ambivalent over (de overgang is geen ziekte), maar wat de doorslag geeft is dat mijn gezondheid onder druk stond de afgelopen maanden. Dankzij mijn goede basis veerde ik ook steeds snel weer terug, maar ik hield mezelf wel met ijzer bijslikken op de been.
 
Ik ben blijven sporten, soms met hangen en wurgen. Het enige wat even niet meer lukte een paar weken terug was hardlopen, want daar kreeg ik toen ook buikpijn bij. Dat is gelukkig al weer over en lopen gaat weer lekker. De halve marathon in februari was natuurlijk wel een slachtoffer van de ongein, ook omdat in die PMS-weken m’n vage bekkenblessure enorm opspeelde – vast geen toeval. Zwemmen en fietsen ging soms, bijvoorbeeld de eerste dagen op Mallorca, moeizaam, maar verder toch ook vaak goed, soms verrassend goed zelfs. Dat deed deugd. Mede daardoor kon ik de hele tijd voelen dat er ‘onderliggend’ niet zo veel aan de hand was. M’n rusthartslag is permanent wat aan de hoge kant, maar dat is niet zo gek, lijkt me.
 
Wel hing de angst voor ergere zaken als een schaduw over me, en had ik daardoor soms wat moeite met vooruit kijken, bijvoorbeeld naar het aanstaande triathlonseizoen. En ik dacht natuurlijk ook wel eens: wat als het net op de belangrijkste wedstrijddagen wéér hommeles is? Sinds woensdag kijk ik weer graag vooruit!
 

Het seizoen is losgebarsten!

Sinds mijn Mallorca-fietsweek is het seizoen losgebarsten, zo voelt het: na een winter waarin hardlopen centraal stond, verdienen nu de andere twee sporten weer meer aandacht. En dat ging meteen al gepaard met de eerste wapenfeiten:
  • Op 29 maart heb ik voor het eerst dit seizoen weer op de triathlonfiets intensieve intervallen gereden, waarbij het doel is mijn hartslag te laten stijgen tot net onder mijn omslagpunt. Daarbij kan ik mijn vermogen meten, en het deed me veel genoegen te zien dat dat niet veel anders was dan vorig jaar. Ik heb me af en toe nogal ‘ingestort’ gevoeld van al het lichamelijke gekwakkel van deze winter (en nog – binnenkort ga ik naar de gynaecoloog), maar dat valt dan toch nog wel mee, of ik herstel er steeds ook weer snel van. De bevestiging van mijn conditie was fijn, net zoals de kick van het gevoel van ‘de goede tijd van het jaar is weer begonnen’. 
    Wat ik even vergeten was, was dat intensieve intervallen ook best zwaar zijn: zere benen, en met alle pollen in de lucht letterlijk het snot voor ogen, zal ik maar zeggen. Nouja, dan voel je wel dat je leeft!
  • Op 1 april ben ik voor het eerst ooit in het Zwemcentrum geweest, het niet eens meer zo heel nieuwe 50-meterbad in Rotterdam-Zuid. Het is een prachtig zwembad en ik heb er lekker gezwommen, samen met Nicole.  Het leverde me echter wel meteen een winkelhaak op in mijn badpak – en dat na één baan! Ik dook toen namelijk onder de lijn door naar de baan ernaast, en ik bleef haken achter de harde, scherpe plastic punt van een drijver daaraan. Die wedstrijd-drijvers houden het klotsen lekker tegen, maar je moet er dus wel voor uitkijken!

  • Op 2 april ben ik met Nancy wezen mountainbiken in de bossen bij Zeist en Austerlitz – zij woont bijna pal aan het parcours. Mountainbiken doe ik bijna nooit, ik ben er dus niet heel handig in, en mijn ‘Afrika-fiets’ is er ook niet het meest geschikt voor. Desalniettemin vond ik het erg leuk: lekker slingeren om de bomen, weg van de drukte van wegen en fietspaden, en van de concentratie op de techniek m’n hoofd verder helemaal leeg.

Nancy en ik in het bos

  • Op 6 april had ik – in een snel aangeschaft nieuw badpak – een eenmalige ochtend van Zwemanalyse, met techniekles en videoanalyse. Het is sowieso altijd erg leuk, Roy doet het heel fijn met veel humor. En er is een overeenkomst met dat mountainbiken: door de focus op techniek gaan alle andere gedachten uit mijn hoofd, dat is ontspannend.
    Ik was dit keer heel benieuwd of het me inderdaad eindelijk gelukt zou zijn om af te komen van wat hij de Lee-Towers-elleboog noemt, dus de neiging om mijn arm met m’n elleboog naar achter te trekken, in plaats van te stuwen  met onderarm en hand. Daar heb ik de afgelopen jaren  keer op keer feedback op gehad, en vorig jaar frustreerde het me dat het ondanks oefenen nog steeds niet goed was.
    Afgelopen winter ben ik zo’n beetje alleen maar daarmee bezig geweest, zowel in het zwembad als ‘droog’ trainend, vooral in de sportschool, aan zo’n katrol, waardoor je kan zien wat je doet, dat hielp veel. Ik had het idee dat het eindelijk beter was, maar dat had ik eerder ook al gedacht. Dus best wel spannend, naar mijn eigen video kijken en horen wat hij erover te zeggen had…
    En ja, hoera! Ik ben geen Lee Towers meer! Oefening heeft uiteindelijk toch kunst gebaard! Sowieso vond Roy dat ik een grote stap vooruit had gemaakt. Hij heeft nog altijd wat op te merken natuurlijk, en daar ga ik de komende tijd mee aan de slag.
    Dus: leuke ochtend gehad, en ik ben vooral heel blij dat het oefenen van de afgelopen maanden zo goed heeft uitgepakt!

Certificaat Zwemanalyse

  • Op 7 april deed ik m’n jaarlijkse intervaltraining door de stad, zo noem ik dat: in soms behoorlijk hoog tempo van de ene naar de andere plek langs het parcours van de marathon om manlief aan te moedigen. Ik moest dit keer nog harder fietsen dan anders, want er was een storing in de roltrappen van de Maastunnel, dat kostte me 10 minuten extra, en van de tunnel naar de Kuip (het 4-km-punt) heb ik moeten sjezen, tegen de wind in en dwars door rode stoplichten – ik stond nog uit te hijgen en daar kwam Henk al voorbij!
    Daarna had ik meer tijd, en steeds méér tijd, want manlief had last van de hitte. Hij  – Super Marathon Master – heeft zijn 31e marathon van Rotterdam wel uitgelopen, maar de tijd was voor zijn doen maar matigjes (net binnen de 3u50).
    Toen hij finishte, zat ik al thuis – dat mocht van hem, anders werd het wel heel lang wachten, en bovendien vond ik het ’s middags niet te harden zo druk in de stad, fietsen echt geen porem. ’s Ochtends op Zuid heb ik me er wel goed mee vermaakt en om te fietsen was het fantastisch weer. Het blijft altijd een bijzondere dag.

Manlief net na de helft

  • Op 9 april deed ik mijn eerste zwemtest van het seizoen. Dat heet een CSS-test, je zwemt dan eerst 400 meter, en na een tijdje rust nog 200. Het verschil daartussen in een indicatie voor de tijd die je over langere afstanden kunt volhouden (‘critical swim speed’). Die tijd ligt bij mij zo rond de 2’/100 meter, of 30” per baantje,  en dat had ik al best mooi gevonden zo vroeg in het seizoen.
    Tot mijn verrassing zwom ik de 400 meter in 7’41, 20” sneller dan verwacht! De 200 meter ging in bijna precies de helft daarvan: 3’52. Weinig verval dus, en sneller dan ik had verwacht: een CSS van 1’56 per 100 meter, 29” per baantje. Zo snel ben ik niet vaak en aan het begin van het seizoen nog nooit geweest – en dat na een winter met (bewust) heel weinig zwemmen. Maar wel veel aandacht voor techniek, enfin, dat was op 6 april al gebleken.
    Ik weet van die CSS-testen ook dat het momentopnamen zijn, dat het best kan zijn dat ik morgen of volgende week moeite heb met 30” per baantje. Maar het kan dus wel!

Samen met de twee workshops was het de afgelopen tijd best druk – maar leuk! 

Inspiratie geven en nemen

Vorige week gaf ik twee avonden na elkaar een Sportkunstenaar-workshop: eerst op donderdag bij Groen Wellness over sportmythes, de dag erna bij Bike4Travel over trainen voor een fietsvakantie. Het was allebei erg leuk om te doen, met kleine-maar-fijne gezelschappen die ik hopelijk wat mee heb kunnen geven en heb kunnen inspireren. Hier de twee hoofdlijnen:

  • Op de sportmythes-avond maakte het gedeelte over sporten en ouder worden de meeste indruk. De aanleiding was de mythe ‘als je ouder wordt, moet je het rustiger aan gaan doen’. Ik liet de aanwezigen raden hoe veel er nog van je beste conditie (= rond je 30e) over is op je 55e, in een percentage. Voor toekomstige workshops zal ik het percentage hier niet verklappen, maar duidelijk is wel dat iedereen het verval ontzettend overschat. Ons beeld van ouder worden is sterk negatief.
    Daar kon ik een verhaal tegenover zetten van dat je lichaam tot op zeer hoge leeftijd prima trainbaar is, en dat er dus talloze sporters bijvoorbeeld direct na hun pensioen beter zijn dan ooit, want eindelijk hebben ze dan voldoende tijd en energie om goed te trainen.
    Met trainen kun je nog heel lang (én met een beetje geluk) het verval compenseren.Als je op je 30e optimaal getraind was, word je nooit meer zo snel als toen. Maar voor de meesten van ons geldt dat we met slim trainen nog heel veel kunnen bereiken, ook al klimmen de jaren.

In actie bij Bike4Travel

  • Op de fietsvakantie-avond kwam ter sprake dat je zo kunt trainen dat je optimaal geniet, eerst van je trainingen en van je vakantie. De accenten liggen dan misschien een beetje anders dan wanneer de prestatie centraal staat, maar dat verschil hoeft helemaal niet zo groot te zijn. Van zowel rustige duurtrainingen als intensieve intervallen kun je enorm genieten.
    Tenzij je het belangrijk vindt om altijd indrukwekkende prestaties neer te zetten, iets wat onder veel racefietsers nogal speelt, sowieso, en zeker door apps als Strava. Dan krijg je van die dingen als: ‘Als je niet altijd minstens 30 km/uur gemiddeld rijdt, ben je geen echte fietser.’ Hoezo niet? Houd het alsjeblieft bij jezelf! Elkaar de maat nemen is sowieso nogal sneu, en al helemaal als je beseft hoe onbelangrijk de factor snelheid is, voor goed trainen. Zelfs voor racefietsers, laat staan voor vakantiefietsers! 

Ik ging een overeenkomst zien tussen de twee hoofdlijnen: in presteren, in de getallen (tijden, vermogens, afstanden, klasseringen) kan heel veel plezier en genot zitten. Maar een te eenzijdige focus daarop kan in de weg gaan zitten. Dat kan sowieso, maar zeker als je ouder wordt en je in die termen misschien niet de hele tijd meer verbetert.

Dan is het tijd om de prioriteiten goed te krijgen. Ik moest denken aan de vraag die ze wel stellen bij loopbaanbegeleiding: stel je je eigen uitvaart voor, hoe wil je dan dat er over je gepraat wordt? Niet alleen, lijkt me, in termen van ‘hij fietste altijd meer dan 30 km/u’. Wel: ‘hij heeft zijn hele leven met veel plezier gefietst, dat betekende veel voor hem, hij vond bij zijn fietsclub veel kameraadschap en hij heeft er ook anderen mee geïnspireerd’. Ofzoiets.

Presteren is mooi, maar uiteindelijk gaat het bij sporten om het plezier, het genot, en voor je groei als mens: als het goed is, word je van sporten stronger, wiser, smarter. Precies dat is wat ik met Sportkunstenaar wil doen. 

En zo inspireerden de beide avonden mij dus ook – aanwezigen, bedankt!

Mijn ene pootje is even lang

Het waren van die grappen die rondgingen toen ik net oud genoeg was om ze te snappen en nog niet al te flauw te vinden – lang geleden dus. Het waren onmogelijke vragen, namelijk over het verschil tussen één ding, en daar kwam dan een maf antwoord op. Ik herinner me er twee, dit is de eerste:

Wat is het verschil tussen een kerkklok?
Hoe harder des te bimbam. 

Daar moet ik nog wel eens aan denken omdat we tussen twee best wel bimbammende kerkklokken in wonen.

Maar het gaat nu om de andere:

Wat is het verschil tussen een dood vogeltje?
Zijn ene pootje is even lang.

Daar moest ik maandag aan denken, niet zozeer omdat ik een dood vogeltjes was (ik voel me zelfs de laatste paar dagen voor het eerst sinds eind januari weer fit, hèhè), maar omdat ik toen mijn nieuwe inlegzolen heb opgehaald. Die dienen enerzijds voor wat steun onder mijn voorvoeten, daar had ik een beetje last van, niet bij het sporten maar wel elke ochtend bij het opstaan.

Anderzijds is het een poging om iets te doen aan die hardnekkige scheeftrekproblemen bij bekken en heup en tot in mijn bovenrug. Ik heb een beenlengteverschil, vooral doordat mijn rechterknie meer naar binnen staat dan mijn linker, het effect van een heel oude blessure op toch al een zwak punt van mijn bouw. Van die knie zelf heb ik eigenlijk amper last, maar erdoor staat mijn bekken wel altijd ongelijk. Je ziet dat het rechterzooltje wat hoger is dan het linker:

InlegzolenDat heft in principe het beenlengteverschil op. Vandaar: sinds maandag is mijn ene pootje even lang.

De zolen ‘doen’ sowieso iets, want ik voel sinds maandag weer van alles, daar waar die scheeftrekblessure zich daarvoor vier weken lang keurig heeft gedragen – heel maart nergens last van gehad, in groot contrast met februari. Ze zijn een experiment, ik moet er sowieso nog erg aan wennen, en ik ben benieuwd. Ik mag er voorlopig ook nog niet mee sporten, eerst rustig opbouwen in het dagelijks leven.

Dat zooltjes mogelijk soelaas bieden, dat idee is als eerste geopperd door de – sowieso goed en interessante – chiropractor die ik vorig jaar in Launceston, Tasmanië bezocht. Het heeft nog even geduurd voor ik met dat advies iets gedaan heb. Deels was dat omdat mijn vorige steunzolen geen succes waren en gelukkig maar tijdelijk nodig vanwege een tijdelijke blessure. Ik bleef op die dingen blaren houden en voor mijn gevoel over twee eieren heen lopen.

Deels was het ook omdat in al die jaren dus ooit maar één iemand had gezegd dat zooltjes mogelijk een goed idee was. Ik weet natuurlijk ook nog niet of het helpt, maar toch is het gek dat er verder nooit iemand heeft geopperd dat die scheefstand van mijn bekken zou kunnen komen door ongelijke benen. Het enige wat in de buurt kwam was het advies van Jeroen van TriPro om een verhoginkje en een wigje onder het plaatje van mijn rechterfietsschoen te doen om die knie de goede kant op te kantelen. Dat was een heel simpele oplossing die wonderwel werkte. 

Ik ging zelf pas weer denken dat een zooltje het proberen waard was toen ik me realiseerde dat ik mogelijk gemiddeld genomen net iets meer last heb van die scheeftrekproblemen als ik veel hardloop. Het is niet heel eenduidig en zeker niet zo dat ik, als ik vandaag een lange duurloop loop, morgen scheef sta, maar ik denk wel dat het misschien net iets erger is in periodes waarin hardlopen centraal staat in mijn trainingen. 

De remedie was verder altijd een kwestie van ‘fixen’ (zoals bij de chiropractor) of oefeningen doen (fysiotherapeut) – en de rest van onverklaarbaar. En ik heb heel wat deskundigen geraadpleegd in de vier jaar dat dit nu duurt – en eerder trouwens ook al, want ik heb ook eerder met bekkenscheefstand te maken gehad.

Ik werd me ervan bewust dat je dus als het ware het advies krijgt dat hoort bij de deskundige die je raadpleegt, omdat ze allemaal vanuit hun eigen kokertje denken. Van een podotherapeut krijg je een zooltje, een chiropractor zet je gewrichten recht, een fysiotherapeut geeft je oefeningen, een osteopaat kijkt naar de samenhang met je organen – enzovoort. Je moet dus eigenlijk zelf al een idee hebben van wat de oplossing zou kunnen zijn voor je probleem, en dan kun je die krijgen. Door in dat kokertje te stappen.

Dan denk ik toch: ergens klopt er dan iets niet in de zorg. Toch? 

Nouja, ik hoop dat dit steunzolen-kokertje wat voor me gaat opleveren!